zaterdag 19 september 2020

Van Mao tot Dalrymple. Het levensverhaal van Guust Van Mol



(Dit artikel verscheen in SAMPOL, Samenleving en Politiek. September 2020)


De levensloop van Jan Van Duppen, meeslepend neergeschreven in ‘De dokter is uw kameraad niet’, is exemplarisch voor de verrechtsing van een hele generatie babyboomers. Waarom hebben zovelen van mijn generatiegenoten links de rug toegekeerd, en zijn ze uiteindelijk zelfs gevallen voor identitair rechts? 








De dokter is uw kameraad niet, het levensverhaal van Guust Van Mol, alter ego van Jan Van Duppen, wordt niet toevallig gretig gelezen door mensen die het tijdsgewricht dat dit boek overspant ook actief ter linkerzijde hebben meegemaakt. Dat is natuurlijk de verdienste van de auteur Louis Van Dievel, die een meeslepend verhaal heeft geschreven dat doorspekt is met lange citaten uit notities en brieven van de hoofdpersoon. Maar deze ‘biografictie’ levert ook stof voor introspectie voor een generatie, die stilaan van het maatschappelijke en politieke voorplan aan het verdwijnen is. De evolutie die het hoofdpersonage doormaakt van mao-stalinisme over de sociaaldemocratie tot uiteindelijk het omarmen van de conservatieve ideeën van arts en denker Theodore Dalrymple, is exemplarisch en leerrijk. 


MAOISTISCH MARXISME-LENINISME ALS LEVENSVISIE 


De generatie van jonge activisten, die werd gevormd na de omwentelingen van de jaren 1960, ging op zoek naar een nieuw politiek project. De (toen nog unitaire) BSP was voor hen een integraal onderdeel van het conservatieve politieke establishment. Ook de vermolmde Kommunistische Partij van België was geen aantrekkelijk politiek alternatief. 


Dat geradicaliseerde studenten uit het katholieke universitaire milieu met AMADA (Alle Macht aan de Arbeiders) uitkwamen bij een Chinese versie van het communisme is waarschijnlijk voor een deel te verklaren door de missionaire stijl van het maoïsme, dat nieuwe zekerheden in een Rood Boekje aanbood als een soort van catechismus met eenvoudige antwoorden. De katholieke zendingsdrang werd verruild voor een ander missionair geloof. Het marxisme-leninisme was een politieke visie op mens en maatschappij, maar tegelijkertijd ook een omvattende nieuwe levensfilosofie. Door zijn sektarische karakter en wereldvreemdheid was dit politieke project van opbouw van een nieuwe partij slechts voor een kleine groep van overtuigden een aantrekkelijk alternatief. 


Voor linkse generatiegenoten, die niet tot de sekte behoorden maar er op het actieterrein wel mee werden geconfronteerd, is dit deel van het verhaal van Guust Van Mol interessant om te lezen. We zagen hoe de militanten van Amada zich gedroegen, maar destijds was er niemand die er een boekje over kon of wilde opendoen. Nu krijgen we een relaas uit eerste hand. De ‘maoïsten’ waren door hun militantisme alomtegenwoordig bij politieke acties, die zich buiten de klassieke socialistische of sociaalchristelijke linkerzijde afspeelden. Door consequent tegen politieke samenwerking te zijn met andere linkse stromingen, die ze valse communisten, sociaalfascisten of zelfs hitlero-trotskisten noemden, was hun rol eerder destructief. Hun enige bekommernis was de versterking van de enige ware Kommunistiese Partij (sic) in opbouw. Guust Van Mol was een ‘gestaald kader’. Het lange eerste gedeelte van het boek geeft een indringende en onthutsende beschrijving van zijn activisme. De proletarisering van de partijleden, die gedwongen worden te gaan werken in bedrijven met abominabele werkomstandigheden, wekt bewondering voor zoveel inzet maar tegelijkertijd ook weerzin voor een organisatie die dergelijke offers van haar leden vraagt. 


DE DOKTER EN DE SOCIALISTISCHE PARTIJ 


Het afscheid van de PVDA, zoals AMADA zich sinds 1979 noemt, begint bij Guust na de confrontatie met de communistische realiteit na bezoeken aan China en Albanië. Dat afscheid is een lang en pijnlijk proces. Niet alleen heeft hij nog een echtgenote en een broer die de partij trouw blijven, hij wordt ook zwaar onder druk gezet om zijn arbeidersleven niet te verruilen voor zijn droom, geneeskunde te gaan studeren en arts te worden. Maar hij zet door. Eenmaal gediplomeerd en niet langer lid van de partij, wil hij zijn maatschappelijk engagement als arts verderzetten. Zo komt Guust uiteindelijk bij het socialistisch ziekenfonds terecht, waaraan hij zijn idee voorlegt voor het opzetten van een project voor integrale basisgezondheidszorg. Hij krijgt van de Bond Moyson te kans om dit plan in Turnhout in de praktijk te brengen. Het tweede deel van het verhaal gaat de moeizame uitwerking van het initiatief en de weerstand die het oproept bij de corporatistisch ingestelde Turnhoutse huisartsen. 


Het is via zijn werk voor het ziekenfonds dat Guust op de radar komt van de in crisis verkerende Turnhoutse socialistische partij. Hij wordt er al snel een toonaangevend leidend figuur en schopt het tot Vlaams Parlementslid. 


Dat iemand als Guust Van Mol, met een uiterst links verleden dat voor een groot stuk in het teken stond van strijd tegen de sociaaldemocratie, toch zijn weg blijkt te vinden in de SP, is te danken aan de evolutie die de partij onder Karel Van Miert na de breuk met de Franstalige socialisten heeft doorgemaakt. Van Miert gooide deuren van de socialistische partij open voor nieuwkomers zonder socialistische stamboom. Tegelijkertijd werd het partijprogramma onder invloed van een generatie ‘Jonge Turken’ en een ideologisch debat aangevuurd door het Roodboek van de Jongsocialisten, grondig gemoderniseerd. Terwijl de oude unitaire BSP de jongerenradicalisatie van de jaren 1960 volkomen had gemist, werd de socialistische partij vanaf de tweede helft van de jaren 1970 alsnog een aantrekkelijke politieke thuishaven voor linkse activisten. Veel ex-maoïsten maakten die overstap niet. Guust Van Mol was eerder een uitzondering. 


NEOLIBERAAL LINKS 


In de jaren 1980 voltrekt zich ook de doorbraak van het neoliberalisme, met het aan de macht komen van Reagan in de VS en Thatcher in Groot-Brittannië. Door die neoliberale revolutie komt het model van de westerse welvaartsstaat die na de Tweede Wereldoorlog werd opgebouwd en waarin de sociaaldemocratie een doorslaggevende rol heeft gespeeld, onder grote druk te staan. Tegelijkertijd verzeilen sociaaldemocratische partijen in heel wat landen voor lange tijd in de oppositie. 


Op zoek naar een uitweg uit de oppositionele rol, begint de sociaaldemocratie zich in de loop van de jaren 1990 aan het neoliberalisme aan te passen. Meer zelfs, het begint deze doctrine te omarmen en wordt er een steunpilaar van. Dat is de zogenaamde Derde Weg, waarbij de socialisten zich uiteindelijk in min of meerdere mate inschakelen in de neoliberale politiek van deregulering, privatisering en afbouw van de overheidsinterventie in de economie.Verwonderlijk is dat die grote ideologische ommezwaai zonder noemenswaardige tegenstand en intern debat tot stand komt. 


De sociologe Stephanie Mudge maakte de tot nu toe meest diepgaande analyse van die evolutie van de internationale sociaaldemocratie naar wat zij ‘neoliberaal links’ noemt.Doordat de sociaaldemocratie de belangrijkste politieke steunpilaar van de naoorlogse welvaartsstaat werd, namen de economische experten het over van de socialistische ideologen in het uitwerken van de te volgen politieke lijn. Mudge noemt die naoorlogse sociaaldemocratie ‘economistisch links’. Daardoor kreeg de sociaaldemocratie in deze lange periode van welvaart en economische groei een technocratische partijleiding, die deelname aan de macht om de welvaartsstaat verder te kunnen uitbouwen, als belangrijkste doel ziet. De partij is daardoor geleidelijk helemaal ontdaan van zijn oorspronkelijke antikapitalistische ideologie. Het teloorgaan van die oorspronkelijke ideologie maakt het mogelijk dat de overgang van economistisch links naar neoliberaal links zonder grote interne tegenstand wordt doorgevoerd.

Aanvankelijk kende de sociaaldemocratie van de Derde Weg inderdaad electoraal succes. Dat was voor een groot deel toe te schrijven aan de aantrekkingskracht bij de middenklasse van de neoliberale recepten van belastingvermindering en deregulering. Dat succes bleek evenwel broos en kortstondig. Tegelijkertijd ging immers de historische missie van de sociaaldemocratie verloren, namelijk dat het de vertegenwoordiging is van degenen die ondervertegenwoordigd zijn in de strijd voor meer maatschappelijke gelijkheid. Mudge zegt hierover: ‘Wegens deze historische reden, dragen de linkse partijen een grote verantwoordelijkheid als woordvoerders van de arme, minder bevoorrechte en rechteloze groepen, waardoor ze bij uitbreiding een belangrijk obstakel vormen dat verhindert dat de democratie naar plutocratie afglijdt’. Inderdaad zorgde het neoliberalisme ervoor dat de ongelijkheid steeg en tegelijkertijd verminderde ook de politieke participatie van de groepen waarvan de sociaaldemocratie eigenlijk de woordvoerder moet zijn. Die neoliberaal-linkse politiek zorgde ervoor dat de sociaaldemocratie ook steeds moeilijker te onderscheiden was van de andere technocratische partijen die het landsbestuur uitmaken. Dat verklaart ook voor een groot stuk de lokroep van uiterst rechts voor de achtergestelde groepen die door de sociaaldemocratie in de steek werden gelaten. 


DE DOKTER EN DE DERDE WEG 


Terwijl de sociaaldemocratie in de lange periode van de opbouw van de welvaartsstaat nog altijd gestoeld was op een sterke en massale organisatie die de neuzen in één richting zette, was dat in de fase van de Derde Weg niet langer het geval. Samen met het afscheid van een linkse ideologie, werd ook de noodzaak van een sterke massabasis niet langer belangrijk geacht. Er was louter behoefte aan een ‘professionele campagnepartij’, waarvoor geen grote georganiseerde partijbasis nodig was. 


Het verhaal van Guust Van Mol is een mooie illustratie van de gevolgen van de Derde Weg voor de werking van de partij. Hij wil als geëngageerd socialist mordicus met steun van de socialistische mutualiteit een systeem van sociale  integrale gezondheidszorg uitbouwen in Turnhout en wordt daarin sterk tegenge- werkt door de corporatistische belangen van de plaatselijke artsenvereniging. De leiding van het ziekenfonds, die hem aanvankelijk steunde, gooit ten slotte de handdoek in de ring, omdat het niet langer past in de marktwerking die ook door de mutualiteit geleidelijk wordt omarmd. Op microschaal maakt dokter Guust Van Mol in de praktijk dus mee wat zich op macroschaal binnen de beweging afspeelt. In het neoliberale discours ziet men immers niet langer de noodzaak om solidariteit en onderlinge bijstand te versterken. Het individu is door hogere opleiding en relatieve welstand immers mondig genoeg om de eigen boontjes te doppen. Bescherming van wieg tot graf was niet langer nodig, want iedereen kon voor zichzelf zorgen. 


In vergelijking met de Nederlandse en Britse sociaaldemocratie is de sp.a misschien niet het meest uitgesproken voorbeeld van het Derde Weg socialisme, maar ook hier werd de koerswijziging door voorzitters Patrick Janssens en Steve Stevaert doorgevoerd zonder dat daarover veel debat binnen de partij mogelijk was. Zij konden dat doen wegens het aanvankelijke electorale succes, maar het waren hun opvolgers die op de hete kolen van de electorale afgang en de geleidelijke desintegratie van de partij moesten zitten.


Dat een vrije geest als Guust Van Mol na zijn belevenissen in de sociaaldemocratie en onder invloed van een persoonlijke ervaring als arts in een Rotterdamse achterstandswijk, uiteindelijk radicaliseert in een andere richting en vatbaar wordt voor de oerconservatieve ideeën van Theodore Dalrymple, is een persoonlijk drama dat in het derde deel van het boek wordt verteld. Alles waar Guust ooit in geloofde, besluit hij, berust op een leugen. Je helpt mensen niet door solidair te zijn. 


HERIJKING VAN HET SOCIALISME ALS EMANCIPATIEBEWEGING 


Zonder dat je moet instemmen met de weg die Guust Van Mol uiteindelijk als heel rechtse neoconservatief bewandelt, kan je toch proberen te begrijpen waarom hij die richting is uitgegaan. Guust is één van de velen die ontgoocheld werden doordat de sociaaldemocratie haar beloften voor een betere samenleving niet is nagekomen door zich aan te passen aan het neoliberalisme. Om het gesprek met mensen als Guust Van Mol, die heel hun leven een authentiek engagement hebben nagestreefd, te blijven aangaan, dringt zich voor de hardnekkige sociaaldemocraten vandaag een verregaande herijking van de socialistische ideologie en politieke actie op, waarvan we hier slechts een paar elementen kunnen aangeven. 


Om relevant te blijven moet het socialisme zichzelf als maatschappelijke massabeweging opnieuw uitvinden. Het is immers ook een kwestie van organisatie, die veel mensen verenigd in een maatschappelijk project. Organisaties die mensen in hun dagelijks bestaan ondersteunen zoals vak- beweging, ziekenfonds of andere sociale organisaties zijn essentiële dragers van een dergelijke massabeweging. Dat gaat veel verder dan het louter opbouwen van een politieke partij binnen het bestaande en afgeleefde politieke bestel. 


Op ideologisch vlak is het belangrijk dat we het concept van ‘emancipatie’ als leidend principe van socialistische politiek opnieuw centraal stellen. Socialisme is geen kwestie van gelijkschakeling en collectivisme, maar van bevrijding van de mens van armoede en onderdrukking en van het scheppen van de voorwaarden waarbinnen die bevrijding kan worden tot stand gebracht. De strijd voor een versterking van de sociale zekerheid,wat onder andere door Geert Van Istendael een internationaal beschavingsproject wordt genoemd4, vormt daarbij de basis van het politieke en mobiliserende pro- gramma dat voor een nieuw socialistisch elan kan zorgen. Dat dit bovendien moet samengaan met een visie op hoe de mens met de aarde omgaat staat in tijden van milieucrisis en klimaatverandering ten slotte als een paal boven water. 


Met het formuleren van een dergelijke emancipatorische visie, kunnen we het gesprek met Guust Van Mol en anderen levend houden. 


VOETNOTEN 

1  In een recent boek over de neoliberale ommezwaai van de Nederlandse PvdA wordt dat helder beschreven. Duco Hellema, Margriet van Lith. Dat hadden we nooit moeten doen. De PvdA en de neoliberale revolutie van de jaren negentig. Prometheus, Amsterdam. 2020. 

2  StephanieL.Mudge. Leftism reinvented: Western Parties form Socialism to Neoliberalism. Harvard University Press, Cambridge. 2018 

3  Zie hierover ook Vincent Scheltiens.De sociaaldemocratie is doodziek. VUBpress, Brussel, 2019. Bespreking in SamPol, jg. 26/ nr.6, juni 2019. 

4  GeertVanIstendael.De grote verkilling .Atlas- Contact, Amsterdam, 2019. 




LOUIS VAN DIEVEL. DE DOKTER IS UW KAMERAAD NIET (UITGEVERIJ VRIJDAG, 2020) 


69 

 

donderdag 30 april 2020

1 mei 2020 - verklaring van de vrienden van Socialisten in Beweging





1 MEI 2020

Verklaring van Socialisten in Beweging

Allemaal samen solidair voor een Beter leven na Corona


We vieren dit jaar het Feest van de Arbeid in uitzonderlijke historische omstandigheden. De pandemie die de samenleving wereldwijd in haar greep heeft is de grootste mondiale crisis sinds de Tweede Wereldoorlog. Het is duidelijk dat de wereld nooit meer hetzelfde zal zijn. We weten nu al met grote zekerheid dat we de samenleving in haar geheel en ons persoonlijk leven grondig zullen moeten aanpassen. 

Niettegenstaande de crisis viert de socialistische beweging op deze 1 mei haar traditionele feest. Ter gelegenheid daarvan is het nodig en nuttig dat de socialisten hun stem laten horen over welk soort wereld we willen heropbouwen. We willen een samenleving waarin solidariteit onze leidraad is en we zullen hieraan allemaal samen moeten meewerken.

Het opvangen van de gevolgen van de Covid-19 pandemie is op dit ogenblik onze eerste bekommernis. Maar dat mag onze aandacht niet afleiden van de belangrijke sociaal- economische en ecologische ingrepen die zullen nodig zijn om ook de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen en om ons ontspoord sociaal-economisch model te herschrijven. Het was al lang duidelijk dat dat verouderd en destructief neoliberaal model, niet in staat is om het hoofd te bieden aan de grote uitdagingen waar de mensheid mee wordt geconfronteerd. Ook de ontwrichting die deze pandemie met zich meebrengt, zal niet kunnen worden gekeerd met de neoliberale recepten.

De toenemende onrechtvaardigheid en groeiende onzekerheid in onze samenleving, die door deze pandemie dreigt versterkt te worden, doet ondertussen de woede, de verontwaardiging, de onverdraagzaamheid en de frustratie bij burgers hand over hand toenemen. Om dat te keren is een nieuwe maatschappijvisie nodig die gebaseerd is op solidariteit, rechtvaardigheid, gelijkheid én ecologische duurzaamheid.

Daarom moeten we ons als socialisten inschakelen in een wereldwijde beweging die de Coronacrisis wil aangrijpen om een sociale en ecologische wederopbouw te beginnen, die moet leiden naar een betere wereld. Een wereld die tegelijkertijd meer ecologisch en duurzaam én meer gelijk, solidair en democratisch is. 

We vragen dat de socialistische beweging, zowel vakbond als de sp.a, waarbinnen Socialisten in Beweging actief is, mee het voortouw neemt van een progressieve alliantie die de doelstellingen van een dergelijke meer ecologische en rechtvaardige wereld bij ons, in Europa en wereldwijd uitwerkt en in de praktijk brengt. De twee belangrijke ideeën die we als Socialisten in Beweging van in het begin mee hebben ondersteund moeten daarbij de leidraad zijn.

De eerste leidraad is het in de praktijk brengen van een Europese en wereldwijde sociale Green New Deal, die de basis moet worden van het economische relanceplan dat de gevolgen van de Coronacrisis moet opvangen. Massale investeringen van publieke middelen in een duurzame economie, die rekening houdt met de draagkracht van de planeet en met de echte behoeften van de mensen, worden een noodzakelijke voorwaarde om de economische crisis, toenemende ongelijkheid en armoede te boven te komen.

De tweede leidraad is een nieuw sociaal-ecologisch pact, waarbij de levende krachten in de samenleving de handen in elkaar slaan om door een eerlijke, rechtvaardige verdeling van de middelen tot een nieuwe welvaart en meer welzijn voor allen te komen. Het versterken van de sociale zekerheid, zodat niemand zich ooit zorgen moet maken dat hij of zij door tegenslag, ziekte, werkloosheid of ouderdom in armoede zal terechtkomen, is daarbij een prioritaire opdracht. Een sociale zekerheid die ook blijvend staat voor solidariteit en die niet uitgehold wordt tot liefdadigheid voor de meest kwetsbaren. Een dergelijk pact moet ertoe leiden dat niet de markt, niet het kapitaal, maar wij, de burgers, via onze democratisch verkozen vertegenwoordigers terug de touwtjes in handen hebben om onze samenleving in te richten zoals wij, burgers dat wensen.

We zijn er vast van overtuigd dat we na het afzwakken van de epidemie niet terug kunnen keren naar business-as-usual. Die boodschap moet de socialistische beweging met haar politieke en syndicale organisaties op deze 1 mei duidelijk in de verf zetten. Er is een nieuw politiek denken en doortastende politieke actie nodig. Een dynamische en vernieuwde socialistische beweging moet en kan daarvan de motor zijn.

Ter gelegenheid van 1 mei nodigen we iedereen uit die zich met ons binnen de socialistische beweging wil engageren voor deze doelstellingen om aan te sluiten bij ons netwerk van Socialisten in Beweging. Met Socialisten in Beweging willen we die doelstellingen in partij en vakbond verder verdedigen. Tegelijk sluiten we ons ook aan bij het samenwerkingsverband Beter na Corona, dat progressieve denktanks en media verenigt rond de ideeën van Green New Deal en sociaal-ecologisch pact. Het is pas door eenheid van alle progressieve krachten dat die ideeën voet aan grond zullen kunnen krijgen in de samenleving.

Onze ambitie voor een betere wereld na Corona is groot, maar samen kunnen de progressieven ervoor zorgen dat we na deze crisis de politieke strijd voor die betere wereld winnen.

Allemaal samen VOORUIT!






dinsdag 24 maart 2020

Verhalen uit de quarantaine. Kapitein Zeppos.



Nu de VRT Eclips TV een beetje onder hun duiven schiet door in deze quarantainetijden Kapitein Zeppos opnieuw uit te zenden, vertelt bompa een herinnering uit zijn jeugd.



Kapitein Zeppos werd uitgezonden in 1964 en was een onderdeel van het jeugdprogramma van Nonkel Bob, dat onze woensdagnamiddagen in theorie moest opfleuren. Het feuilleton was onnoemelijk populair bij de jonge en oudere jeugd. Het was iets waarnaar om de veertien dagen reikhalzend werd uitgekeken. Jawel, maar één aflevering per 14 dagen. Bingewatchen ging langzaam en was een kwestie van maanden. Gezien het moordende tempo van het scenario, misschien maar goed ook.

Ik was toen 10 jaar en werd in die jaren samen met mijn broer door mijn ouders, vlijtige cafébazen, weggestoken in een plattelandsinternaat, waar het leven eerder spartaans was. De 50 redelijk lastige lagere schoolkinderen uit lagere boeren-, arbeiders- en middenstandskringen werden er zelfs naar de normen van toen, streng onder de knoet gehouden door een getrouwd koppel, waarvan mevrouw het eten kookte en meneer de surveillance deed. Twee mensen die het leven van 50 kinderen bestierden. Je moest het maar doen. Af en toe kregen ze hulp van een jonge leraar van het aanpalende college, die wat moest bijverdienen en die toezicht kwam houden op de avondstudie.

We deden wel veel aan sport. Voetballen. Want meneer was in zijn jonge jaren een verdienstelijk voetballer, naar ik me herinner bij Berchem Sport. Om ons kalm te houden mochten we ook naar sportwedstrijden op TV kijken. Ik herinner me dat ik Gaston Roelants olympisch kampioen zag worden in Tokio en dat Anderlecht het ongenaakbare Real Madrid uit de Europabeker kegelde (“Jef, doe iets! Jèèèf!!!!).

Om een idee te geven van onze Spartaanse levenswijze: de WC's bevonden zich buiten en het WC-papier bestond uit aan een touwtje geregen in handig formaat geknipt krantenpapier. Degenen die  zagen dat ze in deze hamstertijden geen WC-papier kunnen vinden, weten niet hoe het vroeger was. Na het afkuisen zag uw gat nog zwart van de inkt. En schuren dat dat papier deed. Het knippen van het krantenpapier en het schoonmaken van de WC’s was één van de minst leuke corvees die je wekelijks op je bord kreeg. Het plezantste van die corvees was het dekken van de tafels in de refter, omdat je dan ook wat eten kon bietsen, voordat de hongerige meute zich op het voer stortte.

Ook het strafsysteem was eerder op militaire special forces-leest geschoeid. Dat was waarschijnlijk ook nodig om de bende quasi straatkinderen uit minder geciviliseerde milieus dan de doorsnee college-jeugd, in de hand te houden. Ik heb het dan niet over het traditionele strafarsenaal zoals straf schrijven of, in ergere gevallen, strafstudie op woensdagnamiddag. Er ware ook lijfstraffen. Met je blote knieën op een kokosmat zitten terwijl je een volgeladen boekentas boven je hoofd moest houden, was een van de meest populaire folteringen. Als je het waagde je armen te laten zakken, kreeg je bovendien nog een tik met een halve bezemsteel, die meneer bij de hand hield. Die halve bezemsteel werd ook gebruikt, om de meest hardleersen te laten “dansen”. “Broeckx, kom maar naar voor, dan gaan we wat dansen” waarna het slachtoffer op zijn onderbenen werd getikt. Waarop Broeckx zei:”pff, het deed toch geen zeer”. Broeckx was een held, maar ook hardleerser dan de andere hardleersen. Al bij al vielen er nooit gewonden, maar ik denk dat een aantal toegepaste fysieke straffen tegenwoordig illegaal zouden zijn.

Maar Kapitein Zeppos dus. Als we ons best deden, mochten we op televisie, naast de sportwedstrijden ook naar Nonkel Bob kijken. Ook dat was uiteindelijk een middel om ons te disciplineren. Op woensdag haalde meneer na het middageten zijn opschrijfboekje boven en las hij de namen voor van degenen die hun best niet hadden gedaan op school of iets hadden mispeuterd die week. Dat voorlezen was altijd een spannende aangelegenheid, want je wist nooit zeker of je wel uitverkoren was. Wie zijn naam hoorde vallen, moest tijdens de uitzending studeren in de refter, terwijl de rest gespannen zat te kijken naar het televisietoestel dat in de studiezaal stond opgesteld. Je kon vanuit de refter wel horen wat er allemaal gebeurde, maar de beelden moest je erbij verzinnen.

Toen op een mooie woensdag de naam van Broeckx voor één keer eens niet was genoemd in de verdoemdenlijst, riep die luidkeels “Joepie!” Waarop meneer zei:”blijf ook maar in de refter zitten, Broeckx!”. Ik weet niet of het later nog goedgekomen is met Broeckx, maar hij heeft in elk geval heel weinig te zien gekregen van Kapitein Zeppos.

Voor de rest heb ikzelf een heel gelukkige jeugd gehad.



maandag 23 september 2019

You spend your life waiting for a moment that just don't come


Bruce Springsteen en ik. 
The Boss wordt 70, en daarom dit autobiografische intermezzo. Maar ook het alledaagse is politiek. 







You spend your life waiting for a moment that just don't come


1.     Growing up

In mijn herinnering was de zomer van 1972 aan de koele kant en regende het meer dan normaal. Tijdens die zomermaanden, nadat ik de deur van de middelbare school met grote opluchting achter mij had dichtgetrokken, verloor ik ook mijn interesse in popmuziek.

Dat was in mijn adolescentenjaren wel anders geweest. Tijdens mijn middelbareschooljaren waren mijn oren als het ware vastgegroeid aan het transitorradiootje, dat ik werkelijk overal mee naartoe nam. Ik luisterde fanatiek naar de piratenzenders Radio London en Radio Caroline, die continu popmuziek draaiden, tussen de commercials voor sigaretten, bier en shampoo door. In augustus 1967 werden die Engelse piraten door een wet van de labourregering van Harold Wilson uit de lucht gehaald. Het was voor mij de eerste keer dat ik een bloedhekel aan officieel gezag voelde opkomen.

Met familiaal gezag had ik het hoe dan ook altijd al moeilijk gehad. Gelukkig waren mijn ouders niet echt in mij geïnteresseerd. Ze hadden het te druk achter de toog in hun eigen café, en voor de toog in de andere cafés in het dorp en omstreken. Dat heeft me niet belet om later zelf een poging te ondernemen een gezin te stichten. Dat Harold Wilson een socialist was, heeft me ook niet tegengehouden om socialist te worden. Maar dat kwam later.

Na de gedwongen torpedering van de piratenzenders was er nog aanbod genoeg, al moest je wat meer moeite doen om ze op de AM frequentieband te vinden. De Nederlandse en Engelse uitzendingen van de legale piraat Radio Luxemburg bleven door de ether deinen, dichtbij of ver weg, afhankelijk van atmosferische omstandigheden. Veronica, de Hollandse piraat, was niet mijn ding. Teveel Nederlandstalige muziek, voor zover ik me herinner.

Ook de BRT besefte dat opera en belcanto en fanfaremuziek niet echt bijdroegen aan het verkrijgen van een jonger luisterpubliek. De piratenstations waren de inspiratiebron voor Rudi’s club met Rudi Sinia en Zaki op woensdagnamiddag en van de ‘popsectie’ van Jan Schoukens en onder andere Mike Verdrengh, op zaterdag. Die popsectie was ook het embryo van wat later Studio Brussel zou worden.

Dàt en de wekelijkse TTT-bladzijden in Humo, waaruit ik, zoals velen van mijn vrienden, liedjesteksten en foto’s knipte en die dan later gerangschikt per groep in schriftjes plakte, zorgden ervoor dat ik een encyclopedische kennis van het popuniversum kreeg. Je moest ook  moeite doen om bij te blijven, want er kwamen voortdurend nieuwe groepen en idolen bij.  Ïk heb ooit een dergelijk schriftje teruggevonden: de Bee Gees, Kinks, Monkees en Beatles waren de sterren in mijn muziekuniversum. En  zowaar de Tremeloes, waarvan ik even dacht dat ze ook werkelijk van Tremelo afkomstig waren.

Maar die overmatige interesse in Engelse en Amerikaanse hitmuziek was helemaal verleden tijd toen ik in oktober 1972  naar Leuven verkaste, met het voornemen gechiedenis te gaan studeren. In mijn herinnering was Leuven in die tijd een drukke en kille stad, waar de nerveuze sfeer van de woelige jaren na ’68 nog steeds voelbaar was in de aula’s en de drankgelegenheden. In mijn nieuwe leven had ik geen tijd meer om de godganse dag naar de radio te luisteren.  Ik heb maar een paar maanden de lessen regelmatig gefrekwenteerd, daar lag het niet aan. Zoals voor meer jongeren van mijn generatie werd wereldverbetering een fulltime bezigheid. Dat betekende veel vergaderen, ambras maken met andersdenkende wereldverbeteraars en de resterende tijd de kroeg induiken.

Het Leuvense caféwezen bestond grosso modo uit drie soorten drankgelegenheden: volkse etablissementen waar nurks mompelende autochtonen Peterman dronken en Stella in ongeribbelde glazen, de klassieke studentencafés, die etnisch gesegregeerd waren en waar niks te beleven viel en ten slotte de donkere kroegen, die biotopen van nachtelijke revolutie waren. Van de Kroeg via Politika naar Den Appel en bij het naar huis strompelen een afzakkertje in De Splinter. Dat was mijn dagelijkse calvarie door de stad.

In die kroegen overheerste het geluid van stemmen, van discussies die nooit stopten en nergens naartoe gingen. Maar er was ook muziek. Naast het serveren van drank, behoorde het draaien van platen tot de taakinvulling van de barmannen en -meiden. Omdat ze al hun handen vol hadden met het bedienen van de clientèle, werd daar niet veel werk van gemaakt. Meestal namen ze schijnbaar blindelings een langspeelplaat uit de beschikbare voorraad en werd die volledig afgespeeld. Met wat geluk pastte de muziek min of meer bij de ambiance.  Er was barpersoneel dat daar tamelijk bedreven in was. Maar er waren ook psychopaten bij dat toogvolk die elke avond dezelfde muziek draaiden, omdat ze die toevallig graag hoorden. Ik herinner me een barman die onvoorwaardelijk fan was van Johny Guitar Watson. Door de overdosis van Johny’s funky geriedel,  avond na avond in mijn stamkroeg, heb ik een eeuwigdurende hekel aan funk overgehouden. In elk geval was de overheersende klank in die oorden van verderf geroezemoes. Muziek was volkomen bijkomstig achtergrondgeluid. Die armzalige kroegmuziek was de enige soundtrack van mijn ellendige studentenbestaan. Ik onderging het als auditief behang.

Het waren muzikaal niet de meest opwindende tijden, in die eerste helft van de zeventiger jaren. Van de  ‘progresssieve’ rock van Yes en consoorten kreeg ik hoofdpijn.  Daarnaast floreerde in de donkerste kroegen de boerenfluitjesfolk. Bij de Dubliners kon ik me nog indenken dat het gezellig is om met maten veel bier te drinken onder het zingen van een kroeghymne. Maar Amazing Blondel of Alan Stivell, waarvoor het langharig tuig in die jaren in zwijm viel, betekenden voor mij een volstrekt overbodige revival van terecht vergeten volksmuziek. Om van de Leuvense helden Rum nog te zwijgen. De aula’s en de tot gammele concertzaal omgebouwde mensa’s stroomden vol.

Het eerste concert dat ik in Leuven zag was er één van Fairport Convention, wier frontman Dave Swarbrick zowaar een violist was. Violen! Voor de ongecultiveerde boer uit de provincie die ik was, stond dat gelijk met klassieke muziek. Ik had thuis nooit één noot klassieke muziek gehoord. Folk, het zal bij mij altijd het beeld blijven oproepen van langharige jongens en meisjes in jassen van omgekeerd schaap, meestal omgeven door een doordringende patchouligeur. Voor de volledigheid: ik moest niet betalen voor dat concert want ik had me door concertorganisator Ludo Marcello, tevens cafébaas van Den Appel, in ruil voor gratis inkom en drank laten inlijven als ordehandhaver. We kregen groene T-shirts aan om ons te onderscheiden van het massaal opgekomen publiek, dat stoned of dronken of allebei was. Achteraf kreeg ik in Politika naar mijn voeten van een kroeg-amadees. Dat die ordedienst een bende fascisten in uniform was en dat ik me moest schamen. Ik dacht er niet aan mij te schamen voor gratis drank en een gratis concert.

Mijn doordeweekse bestaan in Leuven was quasi muziekloos, op seksueel vlak volstrekt maagdelijk en in wezen saai. Dat stond in schril contrast met de weekends. De weekendavonden spendeerde ik in mijn boerendorp grotendeels in een bijzonder gore, in een bouwvallige oude hoeve ondergebrachte kroeg, waar de muziek ruiger was dan die ik in de kleinburgersstad gewoon was geworden.  In Zoersel en omstreken praten jonggepensioneerden nog altijd over de Vjel, uitgebaat door Rikske van de bakker, die het concept café een eigen invulling gaf. Een café kon je het eigenlijk niet noemen en het was ook niet vergelijkbaar met de uitermate truttige dancings, zoals er in elk dorp wel een was. Wat begon als een jeugdcafé werd een nachtkeet waar volgens de goegemeente onder invloed van drugs, drank en rock ’n roll onnoemelijke dingen gebeurden. Maar dat viel in de realiteit wel mee. Die ruige muziek, die je in Leuvense cafés nauwelijks te horen kreeg kwam van groepen als Led Zeppelin, Deep Purple, Bad Company … en dat soort werk. In de Vjel had je ook een echte DJ die zijn taak serieus nam en een bepaalde sfeer probeerde op te bouwen. Als hij een pauze nam, wat zelden gebeurde, legde hij ‘In a gadda da vida’ van Iron Butterfly op, waarop de hele kroeg 17 minuten uit de bol kon gaan. In de tussentijd kon hij een pak frieten gaan kopen en rustig opeten achter zijn draaitafels.

Mijn zaterdagen volgden een vast ritueel. Hongerig, moe en ongewassen kwam ik thuis van Leuven. Ik kon me in mijn deplorabele toestand redelijk onzichtbaar maken. Meestal duurde het dan ook een paar uur voordat mijn ouders doorhadden dat ik in huis rondhing. Ik buffelde eerst goed, na een rooftocht in de koelkast en nam daarna een uitgebreid bad, zodat ik tenminste in een treffelijk staat weekend kon vieren, samen met de mooie arbeidersmeisjes, de ruige motorrijders, de boerenhippies en de eerste homo’s die voorzichtig uit de kast probeerden te komen.

2.     Tramps like us, baby, we were born to run

Het gebeurde op zo’n zaterdagavond. Ik was net lekker rozig uit bad geklauterd, terwijl op de achtergrond het legendarische programma Domino speelde. Plots knalde er iets uit het oude transistorradiootje dat me koude rillingen gaf. In the day we sweat it out in het streets of a runaway American dream…Het was de combinatie van een overrompelende wall of sound, met een tekst die al bij de eerste beluistering duidelijk maakte waarover het ging en een rauwe stem met een mateloze energie. Ik besefte onmiddellijk wat ik in mijn diepste binnenste altijd moest geweest zijn: een schooier, geboren om te zwerven.

Ik was er niet goed van. Ik hoorde de presentatrice, Annemie Coppieters of Chris Jonkers, de zoete stemmen die van Domino dat nooit te vergeten legendarische programma maakten, vertellen dat het de nieuwe plaat van Bruce Springsteen was. Ik kende Springsteen niet echt. Ik had ergens gelezen dat het een begenadigd performer was, maar ik was me er niet van bewust dat ik ooit al iets van hem had gehoord. De twee LP’s die hij al gemaakt had, hoorden in elk geval niet tot het Leuvense kroegrepertoire. Born to Run later overigens ook niet.

Ik wist het direct: dit is mijn man! De toekomst van de Rock ’n Roll, volgens Jon Landau van Rolling Stone, die later zijn steun en toeverlaat zou worden. Born to run was overdonderend. Ik vroeg later die avond aan de DJ van de Vjel of hij iets van Springsteen had. Nee dus. Ik kon hem ook niet overtuigen om daar snel iets aan te doen. De man kende wel iets van muziek, maar was ook nogal eigenzinnig.

Maar goed, de ontdekking van Springsteen gaf me het gevoel lid te worden van een voorlopig nog klein genootschap dat het muzikale licht had gezien en dat precies wist wat ‘Everybody is out on the run tonight but there's no place left to hide, betekende. Dit was muziek die van outsiders de voorhoede maakte. De voorhoede van degenen die ontsnappen aan de lamlendigheid door met een mooi arbeidersmeisje op de passagiersstoel van je armemensenauto weg te rijden, naar elders, waar het leven veel opwindender is. Nu goed, bij mij was dat vanachter op de fiets. Ik mocht de auto van mijn gierige ouwe toch nooit gebruiken. Ver zouden onze zwerftochten nooit geraken, maar op zijn minst tot in Pulderbos, het dorp waar men tijdens de kermis bier uit emmers drinkt. Qua ontsnappen uit de alledaagsheid stelde dat niet zoveel voor, maar het was al een dorp verder en men zou ons daar tenminste even onze gang laten gaan.

Na de ontdekking van mijn nieuwe muzikale held ging mijn bestaan in twee werelden verder. In de week de wereld verbeteren en tussendoor een diploma trachten te halen en op zaterdag het echte leven bij het volk waar mijn wortels lagen. Het bewaren van die band met mijn roots was voor mij enorm belangrijk. Het was het besef dat je afkomst je nooit loslaat ook al gaat het leven zijn onvermijdelijke en onvoorspelbare gang.

Ik dacht in Springsteen een gelijkgestemde ziel getroffen te hebben, wiens muziek perfect bij mijn gemoedgesteldheid aansloot. Ik hoorde daarin de zoektocht naar wortels, de heimwee naar waar je vandaan komt en de ongrijpbaarheid van wat steeds verder van je af ligt, maar toch onlosmakelijk verankerd zit in wie je bent. Een zoektocht die een onuitputtelijke bron van inspiratie is, die uitkomt bij de existentiële vraag: wat betekent ‘my hometown’ nog voor ‘a rich man in a poor man’s shirt’? Je bent voortdurend op zoek naar een manier om aan de alledaagsheid te ontsnappen, maar uiteindelijk kan je niet loskomen van waar je vandaan komt en wie je echt bent. Zwei Seelen wohnen ach in meiner Brust. Ik denk dat mijn blijvende fascinatie met Springsteen sinds die regenachtige zaterdagavond, ergens in de vroege herfst van 1975, vooral daarmee te maken heeft.

Mijn dubbelleven: tijdens de week trachten te ontsnappen aan de alledaagsheid van het studentenbestaan door de revolutionair te spelen om in het weekend te beseffen dat het echte leven alledaags is en  dat je daar niet aan kan ontsnappen. Niet toevallig was mijn toekomstige allerliefste uit mijn dorp afkomstig, maar leerde ik haar kennen in Leuven ….

3.     Now you can’t break the ties that bind

De sombere jaren tachtig betekenden het definitieve einde van het gouden naoorlogse tijdperk. Crisis, jeugdwerkloosheid, atoomraketten en oorlogsdoem, dat stond ons babyboomers te wachten.

1980 was het jaar van The River. In zijn autobiografie zegt Springsteen over deze dubbel LP: ‘Finally the commitments of home, blood and marriage ran throug the album as I tried to understand where these things might fit in my own life’. De song zelf is gebaseerd op het echte levensverhaal van Virginia, de zus van Springsteen en haar man, een werkloze bouwvakker. “That’s my life” zei ze tegen haar broer. Springsteen noemde die uitspraak de beste recensie die hij van een van zijn songs ooit heeft gekregen.

The River kon evengoed over het leven van mijn allerliefste en mezelf gaan, toen we in de zefde periode onze jeugd achter ons lieten. Mijn lief werd zwanger na een zwoele zomernacht in augustus 1979, toen we ons verloren in elkaars armen en de wereld buiten ons even niet meer leek te bestaan. Veel te jong, zonder inkomen en zonder plannen, trouwden we enkele maanden later met als enige zekerheid dat hemelse dauw niet genoeg is om van rond te komen. Met het kindje op komst was het eerste wat ik moest doen, werk zoeken om het gezin in leven te houden. Ik nam een job aan in een stoffige ministeriebibliotheek, waar geen kat kwam, maar wat wel zorgde voor brood op de plank. Het ongedroomde ambtenarenleven, van negen tot vijf en vanaf maandag aftellen tot het weekend. Now all them things that seemed so important, well mister they vanished right into the air…Het burgerlijke leven, elke dag volgens het zelfde scenario, had me voor altijd in zijn greep. De dingen die belangrijk leken te zijn, wild leven en stenen proberen te verleggen in de stroom van een voorbijkolkende wereld, verdwenen in het niets.

We probeerden jaren een gezin te worden, met na enige tijd twee bloemen van dochters die ik op sleeptouw nam tijdens urenlange dwaaltochten door de stad. Terwijl ik hen opmerkzaam trachtte te maken voor het vele wonderlijke dat de wereld rond ons te bieden heeft: een boot op de machtige stroom, een schilderij in een museum, eekhoorns in het park, het liedje van een straatmuzikant …

Maar tegelijkertijd bleef het knagen: de heimwee naar een leven dat anders had kunnen zijn. Maar de verplichtingen van thuis, familie en huwelijk waren banden die mij vastketenden aan een dagelijkse realiteit met onvervulde wensen en een gebrek aan toekomst.

Het gezin waarin we alletwee zoveel hadden geïnvesteerd, verbrokkelde voor onze ogen en mijn allerliefste werd de allerliefste van iemand anders. Ze vond ten slotte het geluk dat ik haar niet had kunnen geven.

Op 19 juni 1988 was ik bij het concert dat Springsteen op de paardenrenbaan van Vincennes in Parijs gaf tijdens zijn Tunnel of Love Express Tour, met een podiumsetting die moest duidelijk maken dat liefde kan vergeleken worden met een angstaanjagende kermisattractie. Het was een paar weken nadat ons huwelijk voor altijd op de klippen was gelopen. Now look at me baby, struggling to do everything right.  And then it all falls apart when out go the lights’.  Brilliant disguise opende mijn ogen. De man die  jarenlang zijn best had gedaan, was eigenlijk iemand anders, dan wie hij werkelijk was. Maar ik had dat jarenlang goed kunnen verbergen. Door dat te beseffen, was dat concert een loutering die op het goede moment kwam. Wat mij bond, gooide ik van me af en ik zou jaren als lonely pilgrim mijn weg verderzetten


4.     Glory days (And I hope when I get old I don't sit around thinking about it, but I probably will)

De muziek van Springsteen was belangrijk voor me geweest in die moeilijke jaren van mijn huwelijk. Ze gaven betekenis en houvast. En ook hoop, omdat de boodschap steeds was dat het leven een zoektocht is, langs kronkelwegen, over hoge bergen en door diepe dalen.

Met mijn herwonnen vrijheid en een toekomst die meer perspectieven bood omdat er niet langer een grendel op zat, verdween Springsteen als zingever meer en meer naar de achtergrond. Hij bleef voor mij wat hij in wezen is: een van de meest fenomenale performers en songschrijvers die de Rock and Roll ooit heeft voortgebracht. Mijn leven  ging voorspoedig verder, met een nieuwe job, die meer verassingen in zich had, dan het grauwe ambtenarenbestaan van voorheen. Met nieuwe liefdes, een derde bloemendochter en uiteindelijk ook een teruggevonden oude liefde uit de glory days van lang geleden.

Ik bleef alle nieuwe cd’s van mijn muzikale held kopen en zag nog een zestal concerten die allemaal gedenkwaardig waren. James Miller, de Amerikaanse rock and roll-historicus omschrijft het rockgebeuren als ‘a common experience and a private obession’. De concerten van Springsteen beantwoorden daar perfect aan. Je voelt dat degene die op het podium altijd het beste van zichzelf geeft, voor alle aanwezigen iets speciaals te betekenen heeft dat zich omzet in een bevrijdende collectieve ervaring. Wie het nooit heeft meegemaakt, kan dat moeilijk bevatten. De clip van Dream Baby Dream, die tegelijk ook een hommage is aan Clarence Clemmons en Danny Federici, de overleden groepsleden van de E-Street Band, geeft een idee van wat Bruce bij de aanwezigen teweeg brengt. Dat zag ik ook bij een jong meisje, van hooguit een jaar of achttien, dat naast ons stond tijdens het concert van de Wrecking Ball Tour in mei 2012 in Keulen. Toen the Boss The River inzette, liet zij haar tranen de vrije loop. Die song is van lang voor haar geboorte, maar zij werd zichtbaar meegezogen in de tijdloosheid van het verhaal over Virginia en haar man. Misschien was dat ook het verhaal van haar eigen ouders…

De jaren schijnen geen vat te hebben op Springsteen. Ik kan dat over mezelf niet zeggen. Enkele jaren geleden zag ik de dood in de ogen. Een wonderbaarlijke operatie en de steun van mijn geliefden, redden mijn leven en gaven me terug voor jaren energie. Maar voor mij was dat ook het sein om het kalmer aan te gaan doen. Het pensioen en alle tijd die je daarmee terugwint, brachten rust en berusting. Ook ik had me voorgenomen nooit nog naar de glorieuze dagen van vroeger te verlangen, eens het zover zou zijn. Maar Bruce had gelijk. Je doet het toch. Als de avondschemering komt, leun ik dus af en toe achterover en denk ik terug aan wat ooit was of ooit had kunnen zijn.  Met muziek op de achtergrond en mijn Jersey Girl aan mijn zij, die me na verloop van tijd zegt “kom, het is al laat, laat ons gaan slapen en nog wat babbelen in bed”.


*citaten en sommige zinsneden in dit stukje zijn afkomstig uit Born to Run, de autobiografie van Bruce Springsteen (Nederlandse vertaling Uitgeverij Het Spectrum 2016).




Van Mao tot Dalrymple. Het levensverhaal van Guust Van Mol

(Dit artikel verscheen in SAMPOL, Samenleving en Politiek. September 2020) De levensloop van Jan Van Duppen, meeslepend neergeschreven in ‘D...