donderdag 26 februari 2015

Bedenkingen over de SP.A en de Vlaamse linkerzijde: aanzet tot een debat over eco-socialisme

De toestand van de partij, zoals we die in het allerdiepste Vlaanderen elke dag aanvoelen

Het was lang (van in het begin van de jaren negentig van vorige eeuw) geleden, maar in oktober 2012 nam de sp.a van Ranst met een eigen lijst deel aan de gemeenteraadsverkiezingen. Daarvoor was er een kartel met Groen, dat achteraf door allerhande, hier niet ter zake doende strubbelingen, was ter ziele gegaan. De voorwaarden die Groen stelde om in 2012 samen naar de kiezer te stappen waren voor ons niet aanvaardbaar. We zouden geen nuttige plaats op de lijst krijgen en we konden ook niet als sp.a-ers op de lijst staan. Na een korte maar hevige woordenwisseling besloten we te elfder ure zelf op te komen. Een berekende gok, want met één zetel in de gemeenteraad zouden we bijna zeker op de wip komen te zitten, en er waren vooraf goede gesprekken geweest over een mogelijke coalitievorming. De berekende gok liep faliekant af. We haalden slechts 3,3 percent van de stemmen. Precies het aantal dat Groen alleen minder haalde dan in de kartelperiode. Laat ons zeggen dat de linkerzijde in Ranst terugviel van drie op twee zetels. Tot zover de nadelen van niet te willen samenwerken.

Nochtans hadden we een heel goede campagne gevoerd. Onze twee brochures waren misschien wel de mooiste en de meest inhoudelijke van alle partijen. We hadden een geslaagde avond over de samenaankoop van groene stroom gehad. Onze gezichten waren niet weg te branden uit de cafés, waar het allemaal te doen was. En toch maar 3,3 percent van de stemmen! 430 mensen vonden het de moeite om ons te steunen.

Dat is dus de situatie in het diepe Vlaanderen: ploeteren en weinig resultaat. Overigens, de mooie campagne die we konden voeren was mogelijk door de persoonlijk investering van een kandidaat, die volkomen vrijwillig, zonder uitzicht op een mandaat 1500 euro bijdroeg.

De gemeenteraadsverkiezingen van 2012 waren in het Antwerpse over het algemeen traumatisch. De slechte plaatstelijke uitslagen werden nog verergerd door de pijnlijke nederlaag in Antwerpen stad. We werden een partij in crisis. Zo voelden velen het onder ons aan. Als je niet wint, hebt je weinig vrienden. Ook dat hebben we gevoeld: mensen gaven er de brui aan en we hadden weinig te bieden om nieuwe mensen aan te trekken.

De verkiezingen van mei 2014 vonden plaats op het ogenblik dat de inhoudelijke en organisatorische crisis van de sp.a het voeren van een goede verkiezingscampagne erg moeilijk maakte.  Inhoudelijke crisis? We hadden toch een vernieuwingscongres achter de rug, met een “sterk” nieuw programma als resultaat? Dat viel dan toch niet op tijdens de campagne, die zwalpte en allerminst radicaal was in het afwijzen van het te verwachten rechtse beleid.

Achteraf was er wel grote opluchting dat de partij, niettegenstaande die crisis toch niet volledig ten onder was gegaan. Het resultaat in de provincie West-Vlaanderen gaf bovendien aan dat electorale afkalving geen onvermijdelijk proces voor de partij was.

Daarna kwamen er de eerste aarzelende stappen in een politieke omgeving die ons al lang niet meer bekend was: een rechts beleid op alle niveaus, afscheid van 25 jaar ononderbroken regeringsdeelname en de gedwongen catacomben van de oppositie, waarin we ons niet onmiddellijk konden oriënteren.

De moeilijke aanpassing aan dat nieuwe gegeven heeft de crisis van de partij verder uitgediept. Daar zijn verschillende redenen voor: een oppositie-rol die niet uit de verf komt, stuurloosheid door een gebrek aan leiding, partijstructuren die voor een groot stuk disfunctioneel zijn geworden.
Maar de hoofdreden is dat de sp.a geen duidelijk profiel heeft. Het ontbreekt de partij aan een toekomstvisie, die tegelijk radicaal en mobiliserend is en die vooral uitzicht geeft op een ander soort beleid. Tegelijkertijd kan de sp.a door dat gebrek aan mobiliserende toekomstvisie zich ook organistorisch niet herdenken. We hebben het beeld van een oubollige partij, met een onduidelijk programma, die geen wissel op de toekomst is.

Er wordt nu verwacht dat we erin slagen door deze crisis zowel inhoud als partijwerking zodanig te herformuleren, dat er een toekomst is voor een socialistisch politiek project, dat de hoop en de verwachtingen van de verworpenen der aarde vorm geeft.

Er zijn duidelijk geen kant en klare oplossingen en veel denkwerk is nodig. Bovendien is het duidelijk dat een vernieuwing van de sp.a tegelijkertijd moet sporen met een vernieuwing van de volledige linkerzijde in Vlaanderen. Dat is geen proces dat op enkele maanden zal afgerond zijn. Laat ons vooral rustig ideeën uitwisselen, zonder door de adhoc politiek te worden opgejaagd. Dat is ook de bedoeling van deze tekst: enkele ideeën meegeven, die hopelijk iets bijdragen aan het debat. Sommige dingen zullen misschien wat hard en zonder nuance worden gezegd. Maar dat is noodzakelijk: er moet buiten de lijntjes worden gekleurd. Oude vormen en gedachten zijn gelukkig sterfelijk.

1.  Voorbereid zijn op een langdurige systeemcrisis.

Immanuel Wallerstein, de grondlegger van de wereldsysteem-theorie heeft er al op gewezen dat het mondiale kapitalistische systeem niet noodzakelijk het eeuwige leven heeft. Als historisch wereldsysteem, ontstaan in de 15e-16e eeuw, loopt het volgens hem zelfs op haar laatste benen en zal  het vervangen worden door “iets anders” waarvan we nog niet weten wat dat precies zal inhouden. In elk geval staan we daardoor voor een chaotische historische periode die enkele tientallen jaren kan duren en die niet echt aangenaam zal zijn voor de mensheid en waarvan de afloop niet te voorspellen valt[1]. Wallerstein heeft het dus niet over een socialistische revolutie of het ontstaan van een socialistisch systeem, maar over een lange periode van mondiale instabiliteit. Een aantal tendensen zijn in elk  geval duidelijk. Door de globalisering en de toenemende macht van  wereldwijde monopolies, verliezen natiestaten hun regulerende impact. De “staat” zelf wordt minder en minder relevant in het sturen van de maatschappij. In zijn uiterste consequentie leidt dat tot “mislukte staten”,  met alle rampzalige maatschappelijke gevolgen vandien.  Een tweede tendens,  is de uitputting van de aarde en de klimaatcrisis, die de toekomst van de gehele mensheid bedreigt en die in feite ook het gevolg is van de degeneratie van het mondiale kapitalistische systeem. 

Dit klinkt redelijk apocalyptisch, maar het is wel de mondiale context waarin we op lokale Vlaamse, Belgische, Europese schaal oplossingen moeten zoeken.

 “Le capital au XXIeme siècle” van Thomas Piketty geeft een cijfermatige  bevestiging is van de catch22 waarin het mondiale kapitalisme zich bevindt. Hij analyseert onder andere dat de inkomenskloof tussen de superrijke kapitalisten en de rest van de bevolking in de periode na WOII kleiner is geworden. De reden daarvoor was dat in dertig na-oorlogse jaren de economie moest worden wederopgebouwd.  Die lange kapitalistische bloeiperiode gaf aanleiding tot een ongebreideld geloof in het systeem. Maar  de realiteit is dat deze periode erg atypisch was voor het kapitalisme. Het zit immers in de aard van het systeem zelf, dat de kloof tussen een steeds kleinere groep rijke kapitalisten en de rest van de wereldbevolking steeds groter wordt. Het kapitaal wordt steeds meer geconcentreerd in handen van een steeds kleinere groep. Ook dat wijst op de diepgaande structurele crisis van het systeem. Ook voor Piketty is dat geen aanleiding tot het naar voor schuiven van een “socialistisch” systeem als alternatief. Hij maakt vaststellingen op basis van een massa onderzoekgegevens en komt tot de conclusie dat die extreme kapitaalsconcentratie de houdbaarheid van het systeem sterk ondermijnt. Dat Piketty niet onmiddellijk kant en klare oplossingen kan (of wil) aanreiken (behalve een internationale regulering van het kapitaalverkeer) is ondertussen één van de belangrijkste kritieken op Le Capital, maar dat neemt niet weg dat de basisstelling van het boek vooralsnog overeind blijft.

Het Nabije Oosten, Syrië, de afloop van de aanvankelijk zo bejubelde Arabische lente en -dichter bij huis- Oekraïne … het zijn tekenen aan de wand dat we op wereldvlak in een bijzonder onstabiele periode zijn gekomen. En het is geen ver-van-ons-bed-show, maar de gevolgen ervan zijn tot in de kern van onze eigen samenleving voelbaar. Kortom, net zoals de rest van de wereld, ontsnappen we niet aan de hevige turbulenties die deze onzekere tijden met zich meebrengen. We kunnen hier maar beter op voorbereid zijn.

2. De verworvenheden van de westerse democratie in het algemeen en van de Europese democratie in het bijzonder.

De vraag is dus, hoe kunnen we ons daar het best op voorbereiden en wat zijn de politieke consequenties die we daaruit moeten trekken?

We hebben er alle belang bij dat we de systeemcrisis met zo weinig mogelijk collateral damage kunnen overwinnen om tot een nieuw evenwicht te komen, maar dan in een duidelijk beter sociaal-economisch en politiek (wereld)systeem, dan wat we nu kennen. Met andere woorden:  het resultaat van een maatschappelijke vernieuwing moet zijn dat we in een beter functionerend systeem terechtkomen, dat democratischer, eerlijker en –niet te vergeten- duurzamer (ecologischer) is. Een systeem waarbinnen het mogelijk moet zijn het leefmilieu te redden, de klimaatopwarming terug te draaien en armoede uit de wereld te helpen. Welke naam we aan een dergelijk “post-kapitalistisch” systeem geven, speelt geen rol. Wel heeft de twintigste eeuw ons geleerd dat het opbouwen van een nieuwe samenleving, na een revolutionaire omwenteling, niet tot het paradijs op aarde leidt. Het geloof in de maakbaarheid van de mens is meer een filosofische contructie, dan een basis voor een haalbaar politiek alternatief.

Het enige valabele en werkzame politieke alternatief dat er op dit ogenblik bestaat is het bewaren en versterken van de democratische verworvenheden, die ons behoed hebben voor onmenselijke dictaturen en voor heel wat conflicten, die in het verleden op een oorlog zouden zijn uitgedraaid.
Laat ons ons tegelijk geen illusies maken: de democratie zoals we die nu kennen staat onder zware druk, niet in het minst door de crisis van het economisch systeem en de gevolgen daarvan, zoals de globalisering en de overheersende politieke invloed van de machtige kapitaalgroepen. Het geloof in politieke partijen en in via verkiezingen tot stand gekomen beleid, is snel aan het tanen. Ook de opkomst van ondemocratische uiterst-rechtse stromingen, is symptoom en gevolg van de systeemcrisis: het is de typische reactie van een middenklasse die schrik heeft zijn levensstandaard te verliezen, en die zich daardoor nog liever afzet tegen zondebokken, dan op zoek te gaan naar solidariteitsmechanismen.

De tweede politieke consequentie is dus de verdediging en de uitdieping van de politieke democratie. Politieke democratie is ook in Europa geen vanzelfsprekendheid meer en ook die verdediging en uitdieping zal op zich een zware dobber zijn. Een belangrijk onderdeel daarvan is het verder bouwen aan een democratisch en eengemaakt Europa. Wat voor een vorige generatie, die de tweede wereldoorlog en de naweeën ervan heeft meegemaakt, een vanzelfsprekendheid was, wordt nu meer dan ooit in vraag gesteld.

De derde politieke consequentie is dat je een mobiliserend project moet hebben, dat de harten en de hoofden van de mensen verovert om één en ander waar te maken. En daarmee komen we tot de kern van ons betoog: wat moet er op dit ogenblik aan de linkerzijde gebeuren?

3. Het strategische project van links

Een dergelijk strategisch project moet de vorm aannemen van een realistische utopie. Realistisch omdat het een geheel van strijdpunten moet bevatten die haalbaar zijn, als er een draagvlak voor wordt gevonden. Utopisch, omdat het een beeld geeft van een betere samenleving, die niet alleen het leven van de mensen verbetert, maar ook zorgt voor een duurzaam omgaan met de wereld, het leefmilieu, het klimaat en de natuurlijke rijkdommen. Je kan dat eco-socialistisch noemen, als het dan toch een etiket moet hebben.

Tijdens de aanloop naar het “ideologisch congres” van de sp.a in het voorjaar van 2013 heb ik op het Antwerpse provinciale congres drie, volgens mij essentiële basisprincipes voor een dergelijk eco-socialistisch project naar voor geschoven. Het zijn drie principes waarbinnen een eigentijds politiek programma kan worden geschreven, dat uiteindelijk geen optelling van allerhande maatregelen is, maar een visie geeft op een toekomstige betere samenleving.

Het is maar een onvolledige werkhypothese. Er ontbreken elementen die belangrijk zijn voor het vervolledigen van dergelijke visie.

Waar het op aan komt is dat een partij zich het best profileert rond enkele zeer duidelijke kernwaarden, van waaruit de rest van het programma kan volgen. En het is met die zeer duidelijk en radicaal te formuleren kernwaarden dat een partij, of zo je wil een politieke stroming, een herkenbare smoel krijgt.

In de jaren 30 van de vorige eeuw was de BWP de partij van het Plan van de Arbeid. Het Plan en niets dan het Plan, was de centrale as van waaruit de socialisten de crisis wilden bestrijden. Herkenbaar voor velen, verstaanbaar voor velen en ook haalbaar voor velen.
Hoe het uiteindelijk met het Plan afliep is een interessante historische discussie, die we hier niet gaan voeren. Maar hoe lang geleden ook, er zijn lessen uit te trekken over de manier waarop een realistische utopie uiteindelijk tot daadwerkelijke maatschappelijke vernieuwingen zou moeten leiden, eens de politieke krachtsverhoudingen zich in het voordeel van links hebben gewijzigd.

4. Drie assen: ecologisch samenleven in de toekomst,  zelforganisatie en het grote belang van cultuur voor een links project

De eerste as: “Stedelijkheid” heeft de toekomst en de toekomst moet in dat kader worden uitgestippeld.

Onder andere Benjamin Barber [2] wijst op het grote belang van steden voor onze toekomstige samenlevingsvormen. Dat is een wereldfenomeen, dat in landen in ontwikkeling nog veel pregnanter is dan in Europa.

Maar het licht van de zon moet niet ontkend worden: ook Vlaanderen is een sterk verstedelijkt gebied en dat zal in de nabije toekomst alleen maar duidelijker worden. De prognoses van de bevolkingsaangroei van bijvoorbeeld Antwerpen, spreken daarover boekdelen.
De Vlaamse grondstroom is historisch doordrongen van een ver doorgeschoten aandacht voor het platteland en het verspreid wonen in dorpskernen. Er heerst nog altijd een diepgaande heimwee naar dat vroegere dorpsleven. Dat is een van de illusies waarop de sterkte van de “plattelandspartij” bij uitstek, de christen-democratie, gestoeld was.  Het huidige succes van de NVA kan ook voor een groot stuk daaraan worden toegeschreven. Tramlijnen mogen niet naar de dorpen worden doorgetrokken. Zij maken de stad niet bereikbaarder voor het dorp. Integendeel: ze brengen de stad naar het dorp.

Maar de praktijk toont aan dat de verknochtheid van de Vlaming aan zijn dorp, tot heel wat problemen leidt: een chaotische ruimtelijke ordening, quasi onoplosbare mobiliteitsproblemen, verdwijnen van natuur, onbetaalbaarheid van wonen op het platteland… Dat is voor veel mensen, en niet noodzakelijk degenen die onderaan de sociale ladder staan, een belangrijke aansporing om toch in de stad te gaan wonen. Ook in Vlaanderen heeft de stad dus de toekomst, ook al is er op dat vlak nog geen echte mentale omslag in de verkavelingswijken.

Een eco-socialistisch project zet volop in op maatregelen die tot leefbare steden leiden. Het zou ons te ver leiden om die allemaal op te sommen. Het gaat van betaalbare woningen, over het bestrijden van luchtvervuiling en fijn stof tot het stimuleren van “stadslandbouw”. In elk geval is er daarover een aantrekkelijk politieke programma te schrijven en we mogen gerust de pluim op onze hoed steken, dat heel wat mensen ter linkerzijde hier dagelijks mee bezig zijn.

Maar wat dan met de rand van de stad, waar toch een belangrijk deel van de werkende bevolking woont? We kunnen het ons toch niet permitteren om ons politiek terug te trekken in de stad, en tegelijkertijd het platteland als politiek wingewest aan de rechterzijde overlaten?

De enorme scores van de NVA op 25 mei 2014 enkel toeschrijven aan het sociologische feit dat in de rand de “rijke mensen” wonen, die dus daarom automatisch geneigd zijn om rechts te stemmen, is erg kortzichtig. De randgemeenten zijn in wezen een vorm van wanordelijke verstedelijking, waar de iets betere verdieners wonen. Het gaat dan nog dikwijls om mensen wiens ouders uit de stad naar het platteland zijn getrokken. Ook al gaat het gemiddeld om gezinnen in een iets betere sociale situatie, uiteindelijk gaat het vooral om werknemers, die ook zeer vatbaar zijn voor de gevolgen van de economische crisis. Het zich afsluiten van de stad, althans voor wat de woonfunctie betreft, heeft met angst voor sociale achteruitgang te maken en dat zorgt in tweede instantie voor de keuze voor een conservatief politiek project.

Het komt er dus op aan het gezamenlijke belang tussen werkmensen in de stad en op het platteland duidelijk te maken. Een van de sleutels daartoe is dat een leefbare stad een groene rand veronderstelt. Een stad die zich ongeordend als een olievlek uitbreidt en het laatste groen opslorpt is niet het toekomstbeeld van de stad als samenlevingsvorm dat we voor ogen moeten hebben. Het in stand houden van die groene rand vereist dus ook politieke actie.

Een leefbare stad én een leefbaar platteland veronderstelt bijvoorbeeld goede verbindingen, met voorstadsnetten, die een antwoord bieden op de mobiliteitsproblemen. Een leefbare stad zal ook de bewoningsdruk op het platteland verminderen, omdat meer mensen geneigd zullen zijn in de stad te gaan wonen.

Inzetten op stedelijkheid is geen vanzelfsprekendheid, maar het kan worden vertaald in aansprekende politieke eisen, die ook in de rand als muziek in de oren van de mensen moeten klinken. Voor links ligt hier een heel terrein braak! 

De tweede as: Zelforganisatie en het belang van de “commons”

Een eco-socialistisch project maakt werk van zelforganisatie van de 99 %. Het gaat daarbij om politieke zelforganisatie, economische zelforganisatie en het heroveren van het geprivatiseerde publieke domein.

Politieke zelforganisatie moet een onderdeel zijn van het herstellen van het vertrouwen in democratische processen. Het verzet tegen de Oosterweelverbinding in Antwerpen is op dat vlak exemplarisch: het toont aan dat bewuste burgers, die in staat zijn zich stevig te organiseren en te verankeren, een reële impact op belangrijke politieke beslissingen kunnen hebben. Even belangrijk is de vaststelling dat een dergelijke beweging ook in staat is om werkbare alternatieven te formuleren, die gestoeld zijn op een sterke inhoudelijke basis. De toekomst van de democratie ligt in het versterken van dergelijke politieke zelforganisatie: het maakt duidelijk dat mensen in staat zijn hun lot in eigen handen te nemen, wat het vertrouwen in democratische processen zal doen toenemen.
Economische zelforganisatie in al zijn mogelijke verschijningsvormen zal steeds belangrijker worden in het bestrijden van de gevolgen van de kapitalistische economische crisis. Door ook daar het lot in eigen handen te nemen, kan worden duidelijk gemaakt dat die crisis door solidair samenwerken kan worden gekeerd.

Coöperatieve banken en verzekeringsmaatschappijen, aankoopcoöperaties en productiecoöperaties grijpen terug naar de roots van de socialistische beweging. Een moderne coöperatieve gedachte kan zeer mobiliserend werken, omdat ook dat het zelfvertrouwen van de mensen zal ten goede komen. Coöperatie zorgt ook voor samenlevingsopbouw, integratie en emancipatie.

Ook voor andere niet-economische knelpunten, zoals bijvoorbeeld wachtlijsten in de zorg kan de coöperatieve gedachte oplossingen aanbieden.

In die moderne coöperatieve gedachte kunnen bijvoorbeeld ook de mogelijkheden van Peer-to-Peer alternatieven worden verwerkt.[3] Belangrijk element in het Peer-to-Peer denken is dat het grote mogelijkheden biedt voor innovatie: productinnovatie, procesinnovatie en zeker ook maatschappelijke innovatie. Een post-kapitalistische, duurzame samenleving staat of valt met haar mogelijkheid voortdurend te vernieuwen en met betere, meer duurzaam geproduceerde producten te komen.

Belangrijk idee is ook dat er zoiets bestaat als “commons”, dat gedeelte van de economie dat voor iedereen gratis beschikbaar is, en dat door iedereen kan worden gedeeld. Een deel van het programma van Syriza in Griekenland is daarop gebaseerd, en het wordt ook al in de praktijk omgezet in bijvoorbeeld Ecuador, dat een andere weg zoekt in zijn economische ontwikkeling. We kunnen dat idee ook radicaler doordenken: publieke ruimte en dienstverlening, die voor economische ontwikkeling zorgt, maar die sinds de neoliberale tatcheriaanse vloedgolf is geprivatiseerd, moet uit de logica van de kapitalistische winstmaximalisatie worden gehaald. Of er moeten nieuwe publieke of coöperatieve structuren worden ontwikkeld, die de geprivatiseerde structuren uit de markt prijzen en overbodig maken.

Een ander fenomeen dat zal bijdragen tot een meer duurzame samenleving is de ontwikkeling van de “geefeconomie”. Dit is niet alleen een wapen tegen armoede, maar vooral ook een wapen tegen verspilling.

Een en ander moet ook gezien worden in een niet-aflatende strijd tegen het consumentisme, dat niet alleen de aarde uitput, maar ook de samenleving “ongelukkiger” maakt. De treurigheid van de shopping malls als het Wijnegem Shopping Center, zorgt niet voor een beter leven. Het verzet tegen gedrochten als Uplace is een bij uitstek anti-kapitalistisch verzet tegen dat opgelegde consumentisme. Consumentisme maakt steden onleefbaar, zorgt voor slechte producten, leidt tot slavernij in de landen waar die goedkope producten worden gemaakt. Ook de ideeën van Rutger Bregman zijn op dat vlak verhelderend [4]

Veel van deze initiatieven onstaan aan de basis. Het is niet aan een politieke partij om die initiatieven te claimen. Wat een linkse politiek wel kan waarmaken, is het terrein effenen om die initiatieven alle mogelijke kansen te geven. Dat zal zich uiteindelijk ook politiek vertalen in een vooruitgang van de progressieve krachten.

De derde as : De eco-socialistische beweging is een cultuurbeweging

Om de hoofden en harten van de mensen te veroveren moet een eco-socialistisch project bij uitstek ook een cultuurproject zijn. Cultuuruitingen worden steeds meer vermarkt en in commerciële keurslijven gedrukt. Dat zorgt voor verschraling en vervreemding. Een emancipatorische beweging geeft ruimte aan het groeien en bloeien van cultuur in zijn meest brede uitingen. Als men de brede culturele wereld achter een dergelijk project kan scharen, dan heeft dat een ongekende mobiliserende kracht. Daarvan zijn ook in de geschiedenis genoeg voorbeelden te vinden.

Cultuur appeleert ook aan een grote behoefte van de mensen om samen te komen, om een gemeenschap te vormen. Ook dat geeft kracht.

Een cultuurbeweging moffelt dus haar programma voor de stimulering van die brede cultuur niet weg, maar maakt daar een speerpunt van politieke actie van.


Met deze drie principes: duurzame en leefbare samenlevingsvormen, zelforganisatie en coöperatie en een eco-socialistische cultuurbeweging,  kan men al een heel eind op weg voor het opstellen van een stimulerende toekomstvisie. Dat wil niet zeggen dat men zich tot deze principes moet beperken. Dit is enkel een aanzet.

5. “Que faire?”

De uitslag van de verkiezingen van mei 2014 heeft ondertussen rechtse regeringen aan de macht gebracht.  Het gevoerde beleid slaat soms met verstomming, met de onbarmhartigheid waarmee de zwakken in de samenleving worden aangepakt. Een lichtpunt is dat het verzet tegen dat beleid op straat snel vorm heeft gekregen, met de grootste vakbondsbetoging van na WO II, wat erop wijst dat er aan de basis heel wat leeft.

De oppositieperiode zal lang duren, en moet worden gebruikt om een strategie voor de lange termijn uit te werken en een ruk naar links voor te bereiden.

Wat de korte termijn betreft moet de sp.a twee belangrijke doelstellingen verwezenlijken:

- het opstellen van een echt ideologisch manifest met een toekomstvisie die verder reikt dan de volgende stembusslag;

- het toelaten en stimuleren van interne diversiteit binnen de partij.

De tweede doelstelling is zelfs noodzakelijk om de eerste te kunnen waarmaken. We zouden kunnen verwijzen naar het Roodboek van de Jongsocialisten in de jaren zeventig, dat geleid heeft tot een toentertijd gemoderniseerde socialistische partij, die overtuigd naar links zwenkte en die daardoor ook sterk kon groeien. Het verdwijnen van een goed georganiseerde linkse stroming, zoals Nieuw Links in de jaren 80 en begin jaren 90, heeft ook aanleiding gegeven tot een verschraling van het interne debat binnen de partij. Een verschraling die uiteindelijk heeft geleid tot het afkalven van onze maatschappijvisie.

Binnen de partij moet worden gewerkt aan een brede linkse vernieuwingsbeweging. Daarvoor zijn er misschien wel voldoende mensen aanwezig, maar nieuw bloed zal nodig zijn, onder andere uit de culturele wereld en uit het brede middenveld. Dergelijke vernieuwingsbeweging kan mensen (terug) naar de partij doen stappen, waardoor de sp.a inderdaad zijn ambitie kan waarmaken een kristallisatiepunt van links in Vlaanderen te zijn.

Tegelijkertijd moet er onbeschroomd worden gepraat met partijen en stromingen buiten de partij over wat bindt en scheidt en over mogelijke gezamenlijke acties. Met een sterk, mobiliserend eco-socialistisch programma zal de sp.a klaar zijn voor een dergelijk gesprek en zal de partij zijn waarde kunnen bewijzen voor de noodzakelijke maatschappelijke modernisering en de aanpak van de diepgaande systeemcrisis.

Voor de middellange termijn moet worden nagedacht over een nieuwsoortige politieke partij of beweging, die aansluit bij een andere, meer participatieve vorm van democratie, die de traditionele representatieve democratie met zijn instellingen (klassieke partijen, gemeentebesturen, parlementen …) overstijgt. De toekomst is aan participatie aan het beleid van betrokken burgers, via nieuwe vormen van politieke actie. Zoals blijkt uit de volksbeweging die ontstaan is rond de Antwerpse mobiliteitsproblemen, zijn georganiseerde en geïnformeerde burgers best in staat alternatieve beleidslijnen uit te stippelen, los van (en desnoods tegen) de bestaande beleidsstructuren. In de toekomst zal beleid meer en meer op die manier tot stand komen: door participatie van de burger en samenspraak met degenen die het beleid uitvoeren.

Ook dat moet een onderdeel van een mobiliserende en optimistische toekomstvisie zijn: de mensen het gevoel geven dat ze hun eigen toekomst in handen kunnen nemen.

We moeten er tot slot van doordrongen worden dat een partij een middel is om iets ten goede te veranderen in de samenleving en geen doel op zich. Het in vraag stellen van de eigen partij en van de eigen structuren en (al dan niet persoonlijke) belangen, zal een opdracht zijn voor de gehele linkerzijde. Er zit in een partij als de sp.a heel wat disfunctionaliteit. De structuren zijn niet echt geschikt om mensen samen te brengen. Veel te veel zijn het vehikels om persoonlijke ambities waar te maken. In een samenleving waarin zelfbeschikking en zelforganisatie steeds belangrijker worden is het ook noodzakelijk politieke structuren op te zetten die die zelfbeschikking en zelforganisatie een kader geven.

Hiervoor zijn veel ideeën aan te brengen, maar één daarvan is dat de partij in haar basisactiviteiten veel meer moet opgaan in de brede linkse stroming die er in Vlaanderen zeker bestaat.  Als we stellen dat de sp.a een kristallisatiepunt van dergelijke linkerzijde moet kunnen zijn, betekent dat niet noodzakelijk het louter versterken van de eigen partij. Het betekent wel: aanwezig zijn daar waar het nodig is, mensen een stem geven, ideeën met elkaar confronteren, ….
Dat proces zal niet vanzelf en vlotjes verlopen, maar als we erin geloven, komen we er ooit wel. Venceremos!

Marc Le Bruyn,
1 maart 2015










[1] Zie hierover onder andere: Marc Vandepitte, De systeemcrisis van hete kapitalisme, MO*-magazine, 17 december 2010
[2] Benjamin Barber, If Mayors Ruled the World: Dysfunctional Nations, Rising Cities (Oktober 2013)
[3] Zie hierover Michel Bauwens en Jean Lievens, De wereld redden. Met peer-to-peer naar een post-kapitalistische samenleving.
[4] Rutger Bregman, Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers. De Correspondent, 29 oktober 2014.

4 opmerkingen:

Erik De Bruyn zei

Marc, dit is een erg knappe analyse die tegelijk ook het lef heeft om na te denken en voorstellen te formuleren over wat er gedaan moet worden. Heb jij medestanders. Geraakt een dergelijke tekst tegenwoordig verspreid in de partij of zijn het de zoveelste parels voor de zwijnen?

Lieve Eyskens zei

Naast jou Erik, alvast één medestander uit Ranst! Knap werk van Marc!

groetjes Lieve

Lieve Eyskens zei

Naast jou Erik, alvast één medestander uit Ranst! Knap werk van Marc!

Marc Le Bruyn zei

bedankt voor de reacties