vrijdag 9 augustus 2019

Regeren of niet regeren De terugkeer van de socialisten - deel II. Antwoord aan Stephen Bouquin

Stephen Bouquin, die in 2017 mede-initiatiefnemer was van de oproep Wij zijn Socialisten plaatste op Facebook een discussiebijdrage naar aanleiding van mijn opiniestuk in De Morgen van 2 augustus. 

Hierbij antwoord ik op al zijn opmerkingen. Je vindt in deze tekst telkens de opmerking van Stephen in cursief, voorafgegaan door SB met daarop mijn antwoord, voorafgegaan door MLB. 

Mijn antwoord kan worden beschouwd als een vervolg op en een verdere explicitering van mijn vorig blogbericht, waarin ik het standpunt uiteenzet dat ik op de Raad van voorzitters en secretarissen (RVS) van de sp.a van 31 juli heb vertolkt.


“SB: Beste Marc, 
Het lezen van jouw tribune in De Morgen leverde toch heel wat ontgoocheling op. Ik weet niet of jij de titel ‘Plots blijkt de sp.a terug springlevend te zijn’ uitkoos als een soort knipoog naar het boek ‘De sociaaldemocratie is doodziek’ van Vincent Scheltiens (‘) maar de inhoud van jouw tribune overtuigt mij alleszins niet.” 

MLB: Ik heb het opiniestuk ingestuurd zonder titel. Hij komt dus van de redactie en het is geen knipoog naar de titel van het essay van Vincent. Zoals ik in een recensie in SAMPOL en ook elders al meerdere malen heb aangegeven, ben ik het grondig eens met de analyse van Vincent en beschouw ik het als een basis voor verdere politieke actie in en rond de socialistische beweging. De sociaaldemocratie is doodziek, maar nog niet dood. 
Ik zie daarin trouwens een zekere analogie met wat ik zelf heb meegemaakt. Ik was drie jaar geleden ook doodziek (volgens de dokters had ik nog hooguit een paar maanden en waarschijnlijk zelfs minder te leven), maar door een levenreddende ingreep ben ik er ook in die uitzichtloze situatie bovenop gekomen. Ik heb zelf de moed nooit opgegeven. Wat de sp.a betreft hang ik hetzelfde idee aan: doodziek maar geen reden tot euthanasie, zolang er levenswil is. En die is er blijkens de vergadering van 31 juli wel degelijk.

SB: “Ik meen dat je de hele kwestie van regeringsdeelname depolitiseert en dat is zeer problematisch, zowel wat de grond van de zaak betreft als vanuit het oogpunt van de authentiek 'linkse' opstelling die jij claimt.”

MLB: Ik heb het in dit opiniestuk uitdrukkelijk niet over de inhoudelijke kwestie. Ik kreeg een paar uur om het stuk te schrijven en had 3000 lettertekens ter beschikking. De vraag van de redactie was waarom ik als vertegenwoordiger van de linkervleugel in de partij een positief beeld had geschetst van deze vergadering in mijn reacties op sociale media. Ik heb dat in mijn opiniestuk dus willen uileggen. Uit reacties van aanwezigen heb ik begrepen dat ik er redelijk goed in geslaagd ben de sfeer op de vergadering te vatten. Tot hiertoe heeft niemand die erbij was mij tegengesproken. 

In het facebookbiotoop waarin ik mij beweeg ben ik van drie dingen zeker: je krijgt veel likes als je het over persoonlijke zaken hebt, vooral wanneer je laat zien dat je een gewone sterveling bent, die af en toe eten kookt voor zijn kinderen of met de hond gaat wandelen; je krijgt een storm van verontwaardiging als je het riskeert ook maar iets kritisch over de PVDA te zeggen, wat ik dan ook meestal niet doe, omdat ik geen zin heb/het geen zin heeft om dergelijke discussies te voeren – iedereen zijn waarheid in een welles/nietes discussie; je krijgt nog veel meer over je heen als je het waagt iets positiefs over de sociaaldemocratie te zeggen, dat ingaat tegen de communis opinio bij veel van mijn linkse facebookvolgers. Als linkse, die gegronde redenen heeft om actief te zijn in de sp.a, ben ik dan doorgaans wel geneigd om te reageren. Ik wist dat mijn opiniestuk oneigenlijke reacties (dat is: reacties die niet over de inhoud van dat stuk, maar over veronderstellingen die achter de inhoud worden gezocht) met zich mee zou brengen. Daarom heb ik tegelijkertijd een lange tekst op mijn blog geschreven waar ik wel in ga op de inhoud van de vergadering, mijn tussenkomst tijdens de vergadering uiteenzet en schets wat de achtergrond van mijn standpunt is (de stellingen van Vincent Scheltiens en een aantal stellingen van Eric Corijn, die hij heeft uiteengezet tijdens het Gentse feestendebat over de sociaaldemocratie)

Uit die tekst blijkt, naar ik hoop dat ik de kwestie van de regeringsdeelname hoegenaamd niet depolitiseer. Ik claim ook geen authentiek “linkse” opstelling (wat is dat authentiek links? Ik dacht dat de PVDA zich authentiek links noemt). Ik claim een politiserende opstelling rond de kwestie van linkse en progressieve frontvorming, die veronachtzaamd wordt in het hele debat rond de regeringsvorming. Elke partij die zich progressief noemt, doet op dit ogenblik maar wat vanuit eigen partijbelang en weet geen antwoord op de tactische zetten van De Wever, die er op gericht zijn om de andere partijen uit elkaar te spelen. 

SB: “Het volstaat blijkbaar dat er in eigen rangen een bijeenkomst wordt ingericht waarbij meningen kunnen geventileerd worden en dat er een ‘consensusnota’ tot stand komt om van alle daken te roepen dat de sp.a springlevend is.
Ik begrijp best dat sp.a- leden een hart onder de riem nodig hebben. Vraag is echter of het ontkennen of wegdenken van de oorzaken van de langzame electorale neergang de situatie zal wijzigen… “

MLB: Nee dat volstaat niet. Maar de situatie is dat de sp.a op haar knieën zit, murw geslagen is en een existentiële bestaanscrisis doormaakt. Wanneer je dan vaststelt dat er aan de basis nog heel wat leven is, dat er convergerende ideeën zijn over hoe die crisis te overleven, dat de vergadering aanleiding geeft tot een soort van hergroepering van uiteengeslagen troepen, dan is dat een hoopgevend teken, dat aangeeft dat er met deze partijbasis nog een en ander mogelijk is. 
Een tweede zaak is dat de verhoudingen basis/top in de partij wel degelijk een serieuze shift hebben ondergaan. De basis is veel mondiger geworden en het is niet langer de top die het debat monopoliseert. Iedereen die lang lid is van de partij (ikzelf sinds 1984) weet hoe de debatcultuur (?) vroeger was. Dat lees je ook in mijn opiniestuk. Dat heeft ook te maken met het feit dat de eens machtige en onwrikbare nationale en plaatselijke partij-apparaten verdwenen zijn. De top heeft dus niet meer die machtsbasis, die er vroeger bestond. Cynisch zou je kunnen zeggen dat dat een voordeel van de partijcrisis is. We moeten terug opbouwen en daarvoor is een mondige en actieve basis nodig en geen zwijgzaam en instemmend leger van trouwe soldaten, die blindelings bevelen uitvoeren. 
Worden de oorzaken van de neergang ontkent of weggedacht? In de gegeven omstandigheden kan men niet anders dan op zoek gaan naar het waarom van die neergang. Dat niet iedereen daar een helder beeld van heeft, is duidelijk. Maar ik herhaal het nog eens: het essay van Vincent Scheltiens is een meesterlijke diagnose, waarmee de sp.a als partij haar voordeel kan doen. Ik ben dan ook graag de boodschapper die de analyse van Vincent naar de werking van de partij vertaalt. 

SB: “Over deze onderhandelingsnota vier vragen:
1). Heeft deze nota zowel betrekking op de federale als de Vlaamse regering?
2). Is hierover een stemming geweest?
3). Heeft de vergadering van voorzitters en secretarissen de bevoegdheid een standpunt in te nemen dat het partijbureau of de voorzitter een mandaat geeft of terugfluit? Of is het enkel een klankbord, in de praktijk een doorgeefluik van partijleiding?
4). Is er een minderheidstandpunt tot uitdrukking gekomen en zo ja, kan dat ergens gelezen worden door de leden, of wordt dat rap-rap onder de mat geveegd waarbij jij in feite oproept tot zelfcensuur in naam van de eenheid.”

MLB: Ik veronderstel dat je de nota met de breekpunten voor de onderhandelingen bedoelt.

Deze nota werd opgesteld door de parlementaire fracties, waarvan ook uitgesproken tegenstanders van regeringsdeelname met de N-VA deel uitmaken (ik noem Bruno Tobback en Kurt De Loor, maar er zijn er nog andere). Die breekpunten leggen de lat zeer hoog en het is ook mijn aanvoelen dat De Wever (en zijn partij) nooit over die lat zullen willen springen.
De lijst met breekpunten werd besproken en door niemand fundamenteel in vraag gesteld. Er is geen stemming geweest, maar mocht dat gebeurd zijn, had quasi de voltallige vergadering voor gestemd. Ook ikzelf heb in mijn interventie gezegd akkoord te gaan met de voorgelegde lijst, omdat hij ook een goede weerspiegeling van het verkiezingsprogramma is. 

Ikzelf heb ook aangedrongen dat de partij een meer assertieve houding zou aannemen met die breekpunten en zou op zoek gaan naar medestanders, om zo een sterk onderhandelingsblok te vormen. Ik vernoemde Groen én de PVDA, maar ook de vakbeweging (wat ook de vakbondsvleugel van de CD&V mee in het bad zou kunnen trekken) en het progressieve middenveld. Ik stelde dat het mogelijk moest zijn een onderhandelingsblok te vormen die 25 percent van de kiezers vertegenwoordigt, hetgeen evenveel is als de sterkte van de N-VA. In die optiek krijg je een heel ander debat en kan je het initiatief uit handen van De Wever halen. 

Dat laatste zou ook betekenen dat de sp.a openijk zou communiceren over de lijst met breekpunten. Op dat punt heb ik niet kunnen scoren. Uiteindelijk was de afspraak dat de sp.a haar onderhandelingskaarten niet op tafel zou leggen, zeker zolang er nog geen onderhandelingen zijn. Dat is een taktische afweging, waar ik het niet noodzakelijk mee eens ben. Wel ben ik er in geslaagd in de slotverklaring een passage op te laten nemen, waarin expliciet naar het verkiezingsprogramma wordt verwezen. Die zinsnede luidt als volgt: “Een verstandige onderhandelaar laat niet op voorhand in zijn kaarten kijken, maar de kern van wat de sp.a maatschappelijk wil veranderen is bekend uit ons programma.”Je kan dat een vage formulering noemen, maar de kern van het programma (o.a. het basispensioen van 1500 euro) is wel degelijk bekend en daarop zijn de breekpunten dus gebaseerd. We moeten deze zinsnede bij komende discussies in ons achterhoofd houden, ze is van belang bij de beoordeling van het mandaat van de onderhandelaars.

De RVS is volgens de sp.a-statuten het hoogste partij-orgaan tussen twee congressen. In andere partijen zou dat gremium partijraad worden genoemd. Alhoewel de bevoegdheden van de Raad in de statuten niet verder omschreven omschreven worden, is het duidelijk dat de RVS boven het partijbureau staat en dus wel degelijk de bevoegdheid heeft om beslissingen van het partijbureau of van de parlementaire fracties te wijzigen. In het verleden is deze Raad inderdaad meestal als een soort van doorgeefluik van de partijtop naar de afdelingen gebruikt. Maar zoals ik hierboven al aangaf, had deze vergadering een heel ander karakter: de genomen beslissingen (o.a. de lijst met breekpunten die door de parlementaire fracties was opgesteld), werden niet alleen medegedeeld maar ook ter discussie gesteld. De Raad heeft ook expliciet het onderhandelingsmandaat gegeven aan John Crombez en Meryam Kitir. Wat ook betekent dat zij achteraf rekenschap moeten geven over het uitvoeren van hun mandaat.

Er was geen minderheidsstandpunt over de lijst met breekpunten en ook niet over de te volgen strategie bij de onderhandelingen. Ook niet van Bruno Tobback, die de dag na de vergadering een aantal kritieken uitte, waarover hij tijdens de vergadering de discussie uit de weg is gegaan. Hans Bonte was niet aanwezig op de vergadering om zijn standpunt uiteen te zetten.

SB :”Van twee zaken één: ofwel is de sp.a een democratische partij omdat er een pluralisme van standpunten mogelijk is, met inbegrip van recht om een stroming of tendens te vormen, ofwel zitten we nog steeds in de tijd van toen waarbij kritiek beter werd verzwegen ‘in naam van de eenheid’ en natuurlijk ook omdat volgzaamheid beter rendeert inzake politieke loopbaan.”

MLB: Ik denk dat het nog altijd mogelijk is om een stroming of tendens binnen de partij op te richten, mocht daar nood en een draagvlak voor zijn. Ikzelf ben jarenlang actief geweest bij Nieuw Links, een georganiseerde stroming die een deel van de parlementsfracties vertegenwoordigde en een tweewekelijks blad had, met een oplage van een paar duizend exemplaren. Ik denk dat dat nog altijd mogelijk is binnen de sp.a. Nieuw Links heeft nooit de eenheid van de partij in vraag gesteld en was zelfs verantwoordelijk voor toestroom van nieuwe leden van buiten de klassieke sociaaldemocratie. Als een dergelijk initiatief dat de partij sterker maakt nu nog mogelijk zou zijn, zou ik dat ook toejuichen. 

SB:” In de huidige situatie is het duidelijk dat de partijtop enigszins verdeeld is, althans indien we de kritische geluiden van Kurt De Loor, Bruno Tobback of Hans Bonte nog durven aanhoren. De vraag kan gesteld worden in welke mate deze meningsverschillen van politieke aard zijn of eerder tot uiting komen omdat er wordt afgerekend met de uittredende voorzitter? (lees de tandem Crombez-Vandelanotte). In de veronderstelling dat de tweede optie voor sommigen meespeelt of misschien zelfs determinerend is, dan nog is het beter op de inhoud in te gaan in plaats van kritische meningen meteen te diskrediteren. Ik vraag mij bvb af waarom je schrijft dat Bruno Tobback boter op zijn hoofd heeft? Wat bedoel je? Gaat het over geld scheef slaan? Machtsmisbruik? Slecht karakter? Dat is een soort verdachtmaking die toch beter wordt vermeden? Over boter gesproken, misschien toch even aanstippen dat de nieuwe politieke partijcultuur blijkbaar impliceert dat Tom Balthazar moest wijken maar Tom Meeuws mocht blijven zitten…”

MLB: Van de drie namen die je noemt was enkel Bruno Tobback aanwezig. Ik denk dan ook niet dat er een soort van georganiseerde oppositie binnen de partijtop bestaat. Tobback heeft zijn standpunt duidelijk uiteen gezet tijdens de vergadering, waarbij hij – als ik het allemaal goed begrepen heb – onder andere zei akkoord te gaan met de voorgestelde breekpunten, ook omdat hij er als lid van de parlementaire fractie zelf aan heeft meegewerkt. Hij heeft zijn verzet tegen een eventuele coalitie met de N-VA uiteengezet en ik had de indruk dat hij daarin werd gevolgd door een groot deel an de vergadering. Maar hij ging ook akkoord met de beslissing om de informatiegesprekken voort te zetten. 

Wat veel mensen terecht irriteert is dat hij de afspraak die op de vergadering werd gemaakt, namelijk dat partijkopstukken zich in de huidige fase van de onderhandelingen zouden onthouden van profilering in de media en dat publieke stellingnamen vooraf afgetoetst zouden worden met de onderhandelaars (Kitir en Crombez), de dag daarop al naast zich neerlegde met een groot interview in De Morgen. Hij voedt daarmee zelf het gevoel dat bij veel partijgenoten heerst dat zijn houding eerder is ingegeven door een persoonlijke profileringsdrang dan met een consistente politieke houding.

Ik zeg in mijn opiniestuk niets over de houding van Tobback ook niet dat hij boter op het hoofd heeft. Ik heb die terminologie ergens in een reactie in een discussie op facebook gebruikt, in de context waarin hij kritiek levert op de manier van functioneren van Crombez als partijvoorzitter. Ik bedoelde daarmee dat zijn passage als partijvoorzitter ook niet bepaald een succes was en dat hij daardoor ook een verantwoordelijkheid heeft in de huidige partijcrisis. 

SB:”Ik durf alleszins de stoute vraag stellen naar de échte bedoeling van een cumulverbod waarop de voorzitter zelf onmiddellijk een uitzondering heeft gevraagd. Heeft het cumulverbod enkel en alleen de bedoeling de groep van parlementairen te vernieuwen en een nieuwe lichting (jonge) politici het strijdperk te laten betreden? Maar hoe werden deze jonge turken geselecteerd? Op basis van hun “strepen” en verdiensten in het voeren van campagnes of op basis van het uitbouwen van een draagvlak met “obligés” die de uittredende voorzitter door dik en dun zal steunen omdat hun toekomst er van afhangt? Geef toe dat je deze aspecten toch niet mag wegdenken wanneer je het over de partij hebt. Het aantal verkiesbare plaatsen wordt steeds kleiner maar het aantal kandidaat broepspolitici neemt toe. In een dergelijke situatie heeft diegene die de lijst samenstelt de facto de macht. Ben je niet akkoord, dan vlieg je van de lijst of kom je ergens onderaan terecht. Dat soort fenomeen is niet nieuw maar het verkleurt wel politieke standpuntbepaling. Opnieuw, jouw bijdrage kijkt weg van de interne oorzaken van de chronische ziekte die de sp.a en vele andere partijen treft waardoor politieke actie enkel wordt bepaald door spindoctors en een kleine ploeg rond de voorzitter.”

MLB: Ik ben het grotendeels eens met deze bemerkingen en als er al één obstakel is om de partij er terug bovenop te krijgen, dan is het wel de cultuur van politiek als “carrière”, van de beroepspolitici en de beroepspartijmedewerkers, die alle belang hebben bij een organisatorische status quo en een onmondige partijbasis, waar de vrijwilligers wel het echte werk doen. Dat de huidige ondervoorzitter van de partij zich terugtrekt uit de politiek omdat ze een "carrièreswitch" wil doorvoeren, is daarbij veelzeggend. 

Ik denk niet dat je kan zeggen dat ik wegkijk van deze problematiek. Ik ondersteun een initiatief van enkele basismilitanten dat Kandidaatvoorzitter2019 heet (zie de facebookpagina van deze groep), dat als doel heeft om bij de partijbasis een discussie te laten voeren over het profiel van de toekomstige partijvoorzitter, maar ook over de partijwerking zelf. Dat initiatief is ingegeven door kritieken op de werking van de centrale partij-organisatie, op de manier waarop kandidaten worden geselecteerd, op de rol van mandatarissen en op het gebrek aan steun aan basiswerking. Het wordt met argusogen gevolgd door de partijtop, maar er is ook steun uit onverwachte hoek.

Over het cumulverbod heb ik gemengde gevoelens en ik spreek me er vooralsnog niet over uit. Er zijn pro’s en contra’s, maar ik wil nog afwachten wat een evaluatie van dat verbod oplevert. Zelf ben ik eerder tegen het cumulverbod.

SB: “Peptalk is soms nodig maar mag nu ook niet ontaarden in fake news. Volgens jou is de studiedienst van de sp.a opnieuw even goed als ten tijde van SEVI, en dus pakken beter dan die van alle andere partijen … Ik vraag me af hoe je tot dergelijke conclusie kan komen. Inzake sociaaleconomische dossiers is het nog steeds huilen met de pet op. Er komt een recessie aan en wat zal het antwoord zijn? Wat indien er een nieuwe financiële crisis uitbreekt? Silence radio zoals ze in het frans zeggen. De Europese begrotingsnormen beperken het overheidstekort drastisch maar niet inzake structuurinvesteringen. Waar wacht de studiedienst om deze opening te gebruiken en een voorstel op tafel te leggen dat het hoogdringende klimaatbeleid via extra- investeringen financiert, met geld van de Europese investeringsbank of een volkslening en New B… 
En waar vinden we de voorstellen die het systeem van rulings afbouwt en alle fiscale achterpoortjes voor multinationals sluit? Fairfin of de denktank Minerva hebben alleszins hun huiswerk wél gedaan.
Op de keper beschouwd kan je zeggen dat output van de studiedienst zich beperkt zich tot ondersteuning van het parlementaire werk en het uitwerken van enkele gerichte gadgetvoorstellen die niet worden ingebed in een algemeen verhaal. 
Weet men op de studiedienst wel wat 12.000 hectare betekent? Dat is 10,95km op 10,95km ofte 120km2. Hoeveel hectaren werden er de laatste jaren door Schauvliege AKA ‘een boom dient om gekapt te worden’ ontbost? Kortom, het voorstel zweeft in de lucht en wordt even snel vergeten als vervangen door een andere gadget-idee. Op het Go Left congres 2018 werd gestemd dat interim moet verdwijnen en alle jonge werkende recht hebben op een vast contract. Is dat intussen verder uitgewerkt en onderbouwd in samenwerking met juristen en de studiedienst van het ABVV? Idem dito wat sociale huisvesting betreft. Moet het percentage sociale woning niet opgetrokken worden tot 15 of 20% van het woonpark, vooral nu het internationaal kapitaal de private huurmarkt als nieuwe goudmijn heeft ontdekt.
En wat met anciënniteitsbarema’s die best mogen sneuvelen volgens Conner Rousseau? Is dat wel zo efficiënt, zelfs vanuit een kortzichtige HRM logica? In academische kringen zijn de meningen alleszins verdeeld terwijl men bij de vakbond heeft begrepen dat men automatische loonstijgingen wil afbouwen. Is de analyse van de studiedienst in verband met de vluchtelingenproblematiek wel zo socialistisch wanneer ze nota’s en tribunes produceert die cijfermatig bewijzen dat Theo Francken toch veel minder asielzoekers heeft teruggestuurd dan de voorgaande regering met de sossen erbij?
Kortom, van zodra je wetenschappelijke en politieke of ideologische criteria hanteert die het technocratisch gepruts overstijgen moet je erkennen dat de studiedienst dikwijls een herexamen zou moeten afleggen. Enfin, misschien vergis ik mij en baseer ik mij te veel op het niveau dat in Frankrijk of Nederland van toepassing is…

MLB: Ook met deze inhoudelijke bemerkingen over wat de studiedienst in het recente verleden heeft gepresteerd ga ik grotendeels akkoord. Ik blijf echter bij mijn opmerking dat er een hele stap vooruit is gezet met opnieuw te investeren in een studiedienst, die tegelijk ideeënfabriek en kweekvijver voor politiek talent kan worden. Maar zoals je lijstje met voorbeelden aangeeft, zijn we daar nog lang niet. De sp.a had wel een degelijk verkiezingsprogramma, dat door de studiedienst werd geschreven. Mijn beoordeling van dat progamma kan je lezen in een artikel dat ik daarover heb geschreven in het maartnummer van SAMPOL. 

Ik denk samen met jou dat het nuttig is te kijken naar hoe het SEVI destijds werkte. En dan trek ik daaruit alvast twee conclusies:
1.     Een degelijke studiedienst moet putten uit de expertise die op academisch niveau werd verworven. Dat was destijds het geval met de inbreng van groepen als Polekar. Dat soort kritische massa, die werkt voor een progressief politieke project, is op dit ogenblik veel minder aanwezig in de Vlaamse universiteiten (maar het bestaat nog, zie onder andere de groep rond André Decoster aan de KULeuven – waar Groen zijn mosterd haalt). Een grotere inbreng vanuit Minerva is inderdaad een mogelijke piste. Onder andere het werk van Olivier Pintelon over arbeidsmarkt en arbeidsduur is een essentiële bijdrage voor een socialistisch discours.
2.     SEVI werkte met experten in klankbordgroepen van ambtenaren, partijverantwoordelijken en academici, waardoor er een voortdurende input en terugkoppeling was voor het formuleren van standpunten. Een dergelijk netwerk uitbouwen is een van de prioriteiten om tot een goede studiedienst te komen.

Het zal veel voeten in de aarde hebben om die studiedienst terug op niveau te brengen. Het moet zeker één van de prioriteiten van de volgende voorzitter zijn.

SB: “Dat de discussie op de vergadering van de secretarissen en voorzitter volgens jou de kloof tussen burger en politiek zal helpen dichten was waarschijnlijk een voorbeeld van onvrijwillige humor. Ware het niet dat neofascisme haar ideologisch draagvlak begint te verruimen zou ik het bij lachen houden. Maar de situatie is helaas niet om te lachen…
Ik zal in een volgend schrijven mijn standpunt verder toelichten. In afwachting hou ik het even bij volgende randbemerking. Sinds vorige week kunnen we overal lezen dat men niets kan realiseren vanop de zij-lijn. Historisch lijkt me dit volledig onwaar vermits zowel algemeen stemrecht als betaald verlof werden gerealiseerd op basis van breed gedragen (en ook wel hevig) sociaal protest. Recenter werd ook de Lange Wapper/Oosterweelverbinding tegen gehouden via acties van burgerbewegingen die, na veel moeite, toch enig gehoor kregen bij besturende partijen. Overigens is het in feite democraten onwaardig oppositie te vereenzelvigen met ‘de zij-lijn’. 
Natuurlijk maakte Calvo met zijn boekje ‘Fuck de zij-lijn’ duidelijk dat Groen ook zeer hongerig is om regeringsverantwoordelijkheid op te nemen. Maar daarom hoeven sociaaldemocraten of socialisten die naam waardig nog niet zijn demagogische argumenten te recycleren… Ten eerste kan bestuursdeelname even destructief zijn als een oppositie steriel kan zijn. Laat ons niet vergeten dat bestuursdeelname waarbij het programma van ideologische/politieke tegenstrevers wordt uitgevoerd heeft bijgedragen tot de ongeloofwaardigheid waaronder de sp.a gebukt gaat. Remember het Generatie-pakt van 2005 om maar één voorbeeld te geven.
Het is bovendien gevaarlijk dergelijke argumenten tegen de zij-lijn/oppositie uit te spreken vooraleer de onderhandelingen nog maar begonnen zijn. Stel dat de lat voor de NVA te hoog ligt, en dat de sp.a moet kiezen tussen ‘broek af’ of ‘de zij-lijn’, dan sta je daar in je blootje… Want dan heb je de politieke actie vanuit de oppositie ofte ‘de zij-lijn’ – wat nog steeds tot de mogelijkheden behoort – gewoon zelf irrelevant gemaakt…” 

MLB: Ik schrijf nergens dat een vergadering van de Raad van Voorzitters en Secretarissen de kloof tussen burger en politiek zal helpen dichten. Ik schrijf letterlijk: “Maar het bewijs is geleverd dat deze partij op een open manier dat gesprek met zichzelf, met haar leden dus, durft aangaan zonder dat dat tot slaande deuren en onoverkomelijke verdeeldheid leidt. Dat biedt alvast perspectieven voor de toekomstvan de partij maar ook voor de geloofwaardigheid van de politiek in het algemeen”. Je zal toch niet ontkennen dat het beeld van een kibbelende partij, waarbij allerhande ego’s vechtend over de straat rollen, nefast is voor het geloof van de mensen in de politiek? Als een partij er intern in slaagt om op een inhoudelijke en constructieve manier meningsverschillen aan bod te laten komen, dan kan dat alleen maar worden toegejuicht.

Het tweede deel van deze bemerkingen gaat inderdaad over de essentiële discussie over wat er moet worden gedaan in deze periode van verrechtsing (of zelfs fascisering) en hoe moet worden omgegaan met het dilemma “meeregeren of oppositie voeren”. Vincent heeft het in zijn essay over twee dogma’s die lijnrecht tegenover elkaar staan: het dogma van het regeren koste wat het kost en het dogma van de politieke maagdelijkheid, waarbij elke deelname aan het beleid wordt geweigerd. 

Ik wacht je inhoudelijke bijdrage daarover af om het debat voort te zetten. Ik vermoed welke argumenten je in het debat zal brengen, onder ander over de politisering van de Gele hesjesbeweging, maar ik zal daar pas verder op kunnen ingaan nadat je dat op papier hebt gezet;

De aanzet die ik in elk geval geef, opnieuw op basis van de inzichten van Vincent, is dat iedereen op zijn terrein (binnen of buiten de sp.a, groen of de PVDA, in de vakbond, in de burgerbewegingen, of gewoon als onafhankelijk academisch denker) moet nadenken hoe we tot een “herpolitiseren van de politieke orde “ kunnen komen. Mijn insteek is dat het debat over de regeringsvorming moet worden aangegrepen om rond een programma van breekpunten een politiek front te vormen (zie hoger). Geen enkele progressieve partij, maar ook niet de vakbeweging of het georganiseerde progressieve middenveld, is in zijn eentje in staat om een maatschappelijk perspectief te ontwikkelen, dat er in slaagt de meerderheid van de mensen achter zich te krijgen. Corijn heeft het over de noodzaak om een verbindend project te ontwikkelen, dat ingaat tegen het verdelende project van rechts. Mijn tussenkomst tijdens de vergadering moet volledig in dat kader worden gesitueerd. 

SB “Last but not least had ik toch verwacht van alle secretarissen en voorzitters in vergadering dat ze een duidelijk standpunt zouden innemen over het cordon sanitaire en duidelijk zouden stellen dat er geen onderhandeling met de NVA mogelijk is zolang de partij van Bart De Wever niet duidelijk kenbaar maakt dat er GEEN raakvlak bestaat met de antidemocratische en fascistoïde partij die het Vlaams Belang met Dries Van Langenhove erbij wel degelijk nog steeds is. 
Maar neen, het heeft niet mogen zijn. Mag ik vragen of de honger om ministeriële functies en vacatures voor de kabinetten in te vullen écht zo groot dat men een meest elementaire politieke en ideologische principes opeens in de schuif laat liggen? “

MLB: Hierover kan ik zeer duidelijk zijn: de gehele vergadering stelde dat de sp.a slechts aan verdere gesprekken kan deelnemen als de (in)formateur formeel afstand neemt van het Vlaams Belang en de gesprekken met die partij stopzet. Aan de onderhandelaars werd de opdracht gegeven dat ook duidelijk kenbaar te maken aan De Wever. Ik ga ervan uit dat ze dat gedaan hebben. En ze zullen hierover zeker worden aangesproken bij een volgende vergadering van de RVS. 

Maar ook hier ben ik van oordeel dat men dat ook openlijk had moeten communiceren, en het niet in de beslotenheid van de onderhandelingen houden. 


Met eco-socialistische groeten,

Stephen Bouquin, mede-initatiefnemer van Wij zijn Socialisten

MLB: Vansgelijke

vrijdag 2 augustus 2019

Regeren of niet regeren. De terugkeer van de socialisten.




Doodziek maar springlevend


Het essay van Vincent Scheltiens ‘De sociaaldemocratie is doodziek’ legt haarfijn uit waarom de meeste socialistische partijen in Europa in een diepe existentiële crisis verkeren. Ik heb in een recensie in Samenleving en politiek al aangegeven dat ik de analyse van Vincent volledig onderschrijf en dat ik ook akkoord ga met zijn conclusie. Hij besluit dat de hele linkerzijde toe is aan wat hij herpolitisering noemt. Links moet uit het defensief treden door zich ideologisch af te bakenen en daarmee een gevoel van samenhorigheid en een perspectief voor actie creëren.[1]Het is met deze instelling in het achterhoofd dat ik aanwezig was op de voor de aanwezigen memorabele bijeenkomst van de Raad van Voorzitters en Secretarissen, de partijraad van de sp.a van 31 juli 2019. 

Dit gezegd zijnde zal het velen verbazen dat ik de dag na de bijeenkomst een opiniestuk in De Morgen publiceerde, waarboven de redactie de titel ‘Plots blijkt de sp.a springlevend te zijn’ had gezet.[2] Opinieredacteur Bart Eeckhout had opgemerkt dat ik in mijn reacties op de sociale media een bijzonder positief beeld had geschetst over het verloop van de vergadering. Hij vond dat merkwaardig omdat ik toch in mijn kleine politieke biotoop bekend sta als een vertegenwoordiger van de linkerzijde binnen de partij. Ik ging graag in op zijn uitnodiging een opiniestukje te schrijven waarin ik mijn standpunt nader verklaarde. 

Ik schreef de volgende tekst, die de krant integraal overnam:

De vergadering van de Raad van Voorzitters en Secretarissen, zeg maar de partijraad van de sp.a van 30 juli 2019, was een zeer bijzondere bijeenkomst. Niet zozeer omdat er historische beslissingen werden genomen, maar omdat de meeste aanwezigen een aha-erlebnis beleefden. Deze partij, die een existentiële crisis doormaakt, blijkt een springlevende basis te hebben die in staat is een moeilijk en soms verscheurend intern debat te voeren dat leidt naar een voldragen consensus. 

Onder John Crombez heeft de partij intern een merkwaardige evolutie ondergaan. De overheersende partijcultuur van de sp.a was een erfenis uit de periode dat de socialisten vanzelfsprekende deelnemers aan de macht waren. De oude BSP duldde geen interne dissidentie. Het woord van de baron was wet. En er was een onwrikbaar partij-apparaat dat de macht van de baron over zijn achterban onaantastbaar maakte. Je moest al verdomd moedig zijn om tijdens een partijvergadering recht te staan en een kritische opmerking te formuleren. 

Van Miert is er in de jaren ’80 met zijn vernieuwingsbeweging niet echt in geslaagd om die verstikkende partijcultuur te veranderen. Dat is geen verwijt. Alle organisatiedeskundigen weten dat het omgooien van de cultuur van een organisatie het allermoeilijkste onderdeel van een transformatieproces is. Van Miert had dan weer wel de enorme verdienste sterk te investeren in een studiedienst, die niet alleen een laboratorium voor ideeën maar ook een kweekschool van politiek talent was.

Maar toen kwam de periode Patrick Janssens, het ‘moderne management’, de nadruk op marketing en communicatie. Een studiedienst was daarbij niet langer nodig.  De combinatie van die partijvisie met het gebrek aan debatcultuur is ongetwijfeld medeverantwoordelijk voor de diepe crisis waarin de sp.a uiteindelijk is terechtgekomen.

Crombez heeft twee dingen gedaan, waar we volgens mij op 30 juli voor het eerst echt het effect van hebben aangevoeld. Ten eerste is hij terug beginnen investeren in een studiedienst met die dubbele functie: ideeënfabriek en leerschool. En tegelijkertijd is hij er op korte tijd in geslaagd deze partij aan het praten te krijgen over programma, maatschappijvisie, politiek strategie en partij-organisatie. Op de partijraad van 30 juli werd er inhoudelijk gediscussieerd over zaken die goed waren doordacht én er werd vrank en vrij gesproken. Het was ook opvallend hoe goed basismilitanten hun visie konden verwoorden en vooral ook hoe goed die interventies werden verwerkt in de eindconclusies. Er werd dus echt geluisterd.

Wil dat zeggen dat het debat over de regeringsvorming binnen de sp.a is afgerond? Verre van. Maar het bewijs is geleverd dat deze partij op een open manier dat gesprek met zichzelf, met haar leden dus, durft aangaan zonder dat dat tot slaande deuren en onoverkomelijke verdeeldheid leidt. Dat biedt alvast perspectieven voor de toekomst van de partij maar ook voor de geloofwaardigheid van de politiek in het algemeen.

Van een verscheurend debat en linkse perspectieven


Men zal merken dat ik in dit stukje geen standpunt inneem over de inhoudelijke kwestie waarover de bijeenkomst was samengeroepen. Het ging over de stand van zaken in de regeringsonderhandelingen, over de positie die de partij daarin moet innemen als het tot een inhoudelijk gesprek zou komen en over de te volgen strategie. En finaal dus ook over de vraag of de sp.a aan de regering, zowel op federaal als op Vlaams niveau kan deelnemen, ook al is dat in coalitie met de N-VA. 

Na de verkiezingen moet dit debat bij de sp.a telkens weer worden gevoerd en meestal overheersen de stemmen die pleiten om kost wat kost aan het beleid deel te nemen. Vincent Scheltiens spreekt van het dogma van de sociaaldemocratie als beleidspartij, die altijd en overal moet trachten deel van het beleid uit te maken, waarbij het er zelfs niet meer toe doet met wie of op basis van welke krachtsverhoudingen er moet bestuurd worden. [3]

Dat dogma stond lange tijd niet ter discussie, het was dan ook een dogma. De allereerste betrachting van de socialistische partij na verkiezingen was dus altijd mee te doen met de regeringsvorming. Het ging daarbij steeds in de eerste plaats over de strategie van hoe zich incontournable te maken. De vraag welke programmapunten conditio sine qua non moesten zijn voor het toetreden tot een coalitie was van secundair belang. 

Maar de tijden zijn veranderd. Ten eerste maakt de steeds verder slinkende politieke slagkracht het alsmaar moeilijker om een plaats rond de tafel van de coalitiebesprekingen op te eisen. Daarnaast weegt de strategische overweging dat deelnemen aan het beleid in periodes van economische en maatschappelijke crisis zal worden afgerekend bij de volgende verkiezingsslag, steeds meer op het debat. In een politiek universum waar het belangrijker is om de eigen partij sterker te maken dan om echt deel te nemen aan beleid, speelt die strategische overweging steeds meer een doorslaggevende rol.

Je zou dan kunnen verwachten dat wanneer de sp.a een vergadering organiseert waar de cruciale vragen over mogelijke regeringsdeelname worden gesteld, het debat langs die twee lijnen zal verlopen: deelnemen aan het beleid, omdat de partij nu eenmaal vastgeklikt zit aan het dogma van bestuursverantwoordelijkeid onder welke voorwaarden dan ook, of kiezen voor de oppositie, omdat dat schijnbaar een grotere garantie biedt voor een beter verkiezingsresultaat binnen vijf jaar. Op het eerste zich een klare keuze. Maar wel een keuze tussen twee standpunten die onverzoenlijk zijn. De buitenwacht, de media, observatoren aan de zijlijn verwachten dan een stevige clash, slaande deuren, dissidente stemmen. Verdeeldheid, het snoepje dat aantrekkelijke krantentitels levert. 

Maar dat is geen inhoudelijk debat. Het gaat louter over zetten op een tactisch schaakbord, vanuit de optiek dat politiek niets meer is dan een machtsspel tussen partijen. Waar het echt over zou moeten gaan, over waar de mensen van wakker liggen, namelijk over het te voeren beleid waar het land en de samenleving beter van zouden moeten worden, komt dan nauwelijks aan bod. . 

Maar als het wél gaat over inhoudelijke beleidskeuzes, die passen binnen het socialistische ideologische kader, dan krijg je een heel ander debat. En dat is precies wat er gebeurd is op de vergadering van de partijraad van 31 juli. De discussies gingen slechts zijdelings over ‘regeren (met de N-VA) of niet’. De vergadering draaide veel meer rond de vragen: wat is nodig in deze risicovolle tijden en wat kunnen we eraan doen, met onze schamele aanhang van 10 percent van de kiezers? Het ging over linkse perspectieven na vijf jaar knoeiwerk door een rechtse alliantie en wat te doen nu rechts, dat aan zet is, er niet in in slaagt haar eigen knoeiboel op te ruimen. 

In de chaos de politieke orde herpolitiseren


Een van de Gentse feestendebatten, die dit jaar voor de laatste keer door de onvervangbare Eric Goeman werden georganiseerd, ging over het essay van Vincent Scheltiens. Eric Corijn die vanuit een onafhankelijke positie meer dan nuttig theoretisch werk levert dat de gehele linkerzijde aanbelangt, zei daar twee dingen die relevant zijn voor de huidige politieke toestand en het debat dat de linkerzijde zou moeten voeren.

Doelend op de PVDA stelde hij dat een partij die enkel gefocust is op haar eigen partijopbouw en op het geleidelijk winnen van aanhang, eigenlijk niet aan politiek doet. Dat ligt in het verlengde van wat Vincent schrijft in zijn essay: ooit zal de kwestie van de machtsdeelname op de dagorde komen, maar voor de PVDA die halsstarrig weigert om deel te nemen aan de macht is dat de kwadratuur van de cirkel. [4]

Een andere opmerking ging over de onafwendbare noodzaak dat sp.a, Groen en de PVDA elkaar zullen moeten vinden om het tij van de verrechtsing te keren. Bij de bevolking, bij de zogenaamde basis, is links sterk in de minderheid. Net zoals in de jaren dertig is die basis niet georganiseerd, ontregeld, geatomiseerd en leeft ze onder de door de media uitgedragen hegemonie van rechts. Dat is de verschrikkelijke maar niet te ontkennen realiteit. In die omstandigheden is het dan ook dringend nodig dat de anti-systeemkrachten elkaar vinden om het tegengewicht tegen die rechtse hegemonie te organiseren. Corijn stelt dat geen van de drie linkse partijen in staat is daar zelf het voortouw in te nemen, omdat ze vastzitten in hun eigen partijlogica. Daarom denkt hij dat er in een eerste fase een soort academische oefening buiten de partijen moet worden gemaakt door mensen die nu vanuit een verschillende optiek aan een theoretisch kader werken. Hij stelde voor dat de redacties van tijdschriften als Sampol, Lava en Oikos een soort van congres zouden organiseren om een programma van linkse herpolitisering op te zetten. Dat zou dan een verhaal van inclusie moeten zijn als alternatief voor het verdelende conflictmodel dat rechts uitdraagt. Met dat inclusief model moet dan de strijd om de politieke hegemonie worden aangegaan. De drie progressieve partijen moeten zich vanuit hun eigenheid bij dat gevecht om de hegemonie aansluiten. 

Ik heb deze boodschap goed beluisterd, maar ik trek daar als sp.a’er andere conclusies uit. Terwijl Corijn ervan uitgaat dat geen van de drie progressieve partijen in staat is om dat inclusief model uit te werken en er een politiek front mee te vormen, ben ik van oordeel dat de socialisten wel degelijk het voortouw moeten én kunnen nemen in dat proces. Overigens, als ik daar niet van zou overtuigd zijn, zou het ook niet veel zin hebben actief te blijven in de sp.a.

Ik heb een en andere proberen te vertalen in mijn interventie tijdens de partijraad. 

Ik begon met te zeggen dat de discussie niet moest zijn: regeren of niet regeren. We kunnen met de uitdagingen waar we als samenleving voor staan niet anders dan proberen een doorslaggevende rol te spelen in het het beleid en dus is het onze opdracht om mee te regeren. De urgentie van de klimaatcatastrofe, van de voortschrijdende fascisering, van de afbraak van de sociale zekerheid, van de migratieproblemen, geven ons niet het comfort van nog eens vijf jaar te antichambreren in de oppositie.

Maar tegelijkertijd zijn de krachtsverhouding zeer sterk in het nadeel van de sp.a en van links in het algemeen. Met 10 percent van de kiezers achter ons programma, kunnen we niet wegen op een rechterzijde, die ons alleen maar  tot bestuursdeelname wil verleiden, omdat ze onze stemmen nu eenmaal nodig zouden kunnen hebben voor een meerderheid, die daarna de rechtse agenda verder uitvoert. 

Het minimumprogramma van breekpunten dat op de vergadering werd voorgelegd was voor mij, zoals voor zowat alle aanwezigen een basis waarop politiek verder moet worden geageerd. Daarom stelde ik voor dat de partij veel assertiever zou communiceren over dat minimumprogramma en tegelijkertijd zou zoeken naar bondgenoten om die eisen mee te ondersteunen. Daardoor kan  er een sterker blok worden gevormd tegen de rechtse as die De Wever aan het creëren is. Ik stelde dat dit voorstel zowel aan Groen als aan de PVDA zou moeten worden voorgelegd, maar ook aan de vakbewegingen en progressieve krachten in het middenveld. Samengevat stelde ik dus voor dat als De Wever aan een rechtse as denkt te moeten werken, de sp.a het initiatief zou kunnen nemen tot het vormen van een linkse as. 

Ik voegde eraan toe dat de kans van slagen van dergelijk voorstel erg klein, zoniet onbestaande is. Als de Vlaamse formatie toch van de grond komt, ontbreekt de tijd en de ruimte om die linkse as te vormen. Maar voor de federale regeringsvorming kan het wel een te volgen en realistische piste zijn. Als PS en sp.a zich aan elkaar klinken, vormen de socialisten de grootste groep en zijn zij bepalend voor het verdere verloop. Hoe dan ook moet onze marsrichting zijn dat er een links alternatief voor het hegemonische rechtse discours kan en moet worden geformuleerd op basis van onze eigen voorstellen en dat we daarvoor bondgenoten binnen en buiten de politiek moeten zoeken. 

Ik besef dat mijn tussenkomst nogal outside the box was en dat niet iedereen mee ging in de redenering, maar ik stelde wel vast dat andere tussenkomsten in dezelfde richting gingen. De noodzaak van linkse frontvorming werd door meerdere afgevaardigden benadrukt. Net zoals het besef dat het partijbelang uiteindelijk ondergeschikt moet zijn aan het belang van de gehele linkerzijde. De partij als middel en niet als doel dus. 

Ik denk met mijn interventie een eigen ad hoc vertaling te hebben gegeven aan de oproep tot herpolitisering die Vincent Scheltiens heeft gedaan. Laat ons nu proberen elke mogelijkheid aan te grijpen om verder een concrete invulling aan die herpolitisering te geven. 

Deze partij en links zullen herleven. Ook al is de weg nog lang.

Avanti!








[1]Vincent Scheltiens,De sociaaldemocratie is doodziek: pleidooi voor een herpolitisering van de politieke orde,VUBPress, Brussel, 2019. Gerecenseerd door mezelf in SAMPOL, Juni 2019, p. 72-76.
[2]De Morgen, 2 augustus 2019, p. 23.
[3]V. Scheltiens, o.c., p. 60. 
[4]V. Scheltiens, o.c., p. 76-77.

maandag 10 juni 2019

10 krachtlijnen voor het herstel van de sociaaldemocratie



Juni 2019

10 krachtlijnen voor de discussie over het herstel van de sociaaldemocratie in Vlaanderen. Een bijdrage tot een debat dat na de verkiezingsnederlaag van 26 mei 2019 alle kanten uitgaat. Deze krachtlijnen vinden hun oorsprong in eerdere bijdragen op deze blog en in een aantal artikelen gepubliceerd in het tijdschrift Samenleving en Politiek in de periode tussen 2014 en 2019. 


1.     Het partijprogramma moet drie lagen bevatten: een langetermijnvisie op de postkapitalistische samenleving, een programma van structuurveranderingen, een bundel van actuele eisen
-       Een langetermijnvisie moet uitgaan van de structurele crisis van het neoliberale laatkapitalisme. Die visie breekt met de derde weg, maar ook met de klassieke recepten van het naoorlogse Keynesianisme. Die visie moet de contouren schetsen van een postkapitalistische samenleving gebaseerd op duurzaamheid, gelijkheid en solidariteit, waarin de samenleving zich autonoom kan ontwikkelen en de staat een sturende rol heeft.
-       Een programma van structuurhervormingen legt de wilde ontwikkeling van het monopoliekapitalisme aan banden, verankert de herverdelingsmechanismen in een versterkt socialezekerheidssysteem, versterkt de bewaking van de fundamentele mensenrechten, zorgt voor een grondwettelijke grondslag van het klimaat- en milieurecht (recht op een leefbare duurzame wereld als basisrecht)
-       Actueel programma bindt de strijd aan tegen armoede, maakt de privatisering van de basisdienstverlening ongedaan, zorgt voor een menselijke oplossing voor de migratieproblematiek, verschuift de belastingdruk van arbeid naar vermogens, …

2.     De afbraak van de sociale zekerheid stoppen is niet alleen een kwestie van behoud van verworven rechten, maar ook van de verdere versterking en uitdieping ervan. De sociale zekerheid moet worden beschouwd als een beschavingsproject, dat internationaal moet worden uitgebouwd (eerst op Europese schaal, vervolgens als een mondiaal gegeven). Hier ligt de oplossing voor het wegwerken van Europese en mondiale ongelijkheden.

3.     Verdediging van de democratische verworvenheden (strijd tegen elke vorm van discriminatie, democratische staatsordening, bescherming van de privacy, scheiding kerk en staat) moet een krachtdadig antwoord bieden op de opkomst van extreemrechts

4.     Socialisme is internationalisme. Dat betekent verdere uitbouw van Europa en omvorming van het neoliberale Europa tot een sociaal Europa, rond de invoering van een Europese sociale zekerheid. Het idee van een brede pacifistische wereldbeweging moet nieuw leven worden ingeblazen om mondiale conflicten te ontmijnen.

5.     Socialisme moet verbreed worden tot eco-socialisme:

-       Een maatschappijvisie gebaseerd op duurzaamheid en een programma dat duurzaamheid in de praktijk brengt
-       Nadruk leggen op leefbaarheid en duurzame samenlevingsvormen, wat wil zeggen een visie op stedelijkheid als ecologische woonvorm en op de verhouding tussen woonomgeving en natuur
-       Een internationalistische visie op duurzaamheid
-       Het ontwikkelen van een ethische visie op produktie én consumptie

6.     Verbreding van de democratie: ondersteuning van de zelforganisatie van burgers op politiek (burgerinitiatieven), economisch (coöperaties) en cultureel vlak. Herovering van de publieke ruimte (commons).

7.     (Eco-)socialisme als een cultuurbeweging:

-       Een visie op identiteit waarbij sociale en democratische verworvenheden als onderdeel van de identiteit worden beschouwd
-       Tegen vermarkting van cultuur: stimulering van cultuurbeleving in zijn meest brede uitingen
-       Cultuur als middel tot gemeenschapsvorming

8.     Het identitaire discours vervangen door een discours over emancipatie. Het doel van het (eco-)socialisme moet zijn dat de mens zich als individu en mensen zich als groep emanciperen, vrij van onderdrukking en zorg om het overleven.

9.     Een visie op de uitbouw en de versterking van links uitwerken op basis van een inhoudelijke niet vanuit een tactische benadering van partij-opbouw. Een partij als middel en niet als een doel op zich. Een socialistische partij moet in haar basisactiviteiten veel meer opgaan in de brede linkse stroming in Vlaanderen. Een brede socialistische partij, waarbinnen diverse stromingen aan bod kunnen komen, kan een kristallisatiepunt van de linkerzijde zijn. Het middenveld van vakbonden en sociale organisaties kan zo opnieuw een krachtig politiek verlengstuk krijgen. Maar dat betekent niet noodzakelijk op de eerste plaats het versterken van de eigen partij. Het betekent wel: aanwezig zijn daar waar het nodig is, mensen een stem geven, ideeën met elkaar confronteren,…

10.  Met andere linkse politieke partijen en stromingen moet gezocht worden naar de mogelijkheid van frontvorming en gezamenlijke politieke actie in een sfeer van collegialiteit en wederzijds respect.




De kast van de vergeten boeken

Toen we op een zonnige herfstdag eind 1979 trouwden, hadden we geen rooie duit. En ook geen meubelen en huisgerief. Toch moest ik trouwen me...